Font size
WorksheetsP Voltooide tijd hebben/zijn
Total questions: 20
Worksheet time: 14mins
Ik ... een lekkere taart gebakken.
heb
ben
Ik ... naar de markt gegaan.
heb
ben
Ik ... mijn sleutels gevonden onder de tafel.
heb
ben
Hij ... het huis schoongemaakt.
heeft
is
Zij ... te laat opgestaan.
heeft
is
Zij ... in de zee gaan zwemmen.
heeft
is
Wij ... naar een nieuwe stad verhuisd.
(a)
Zij ... een nieuwe jurk gekocht.
(a)
Hij ... de kinderen naar school gebracht.
(a)
Wij ... naar een lange film gekeken.
(a)
Hij ... tegen de muur gebotst met zijn auto.
(a)
Hij ... op tijd op het vliegveld aangekomen.
(a)
De kat is in de boom geklommen.
goed
fout
Hij heeft van de stoel gevallen.
goed
fout
Zij heeft een mooie foto gemaakt.
goed
fout
Het vliegtuig heeft naar New York gevlogen.
goed
fout
De taart ... gebakken.
is
heeft
De sleutels ... gevonden.
zijn
hebben
De kinderen ... naar school gebracht.
(a)
De automobilist ... geflitst.
(a)
