Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippentoets thema 3 BB

Total questions: 44

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Alle levende wezens; bacteriën, schimmels, planten en dieren.

a)

organismen

b)

orgasmes

c)

ecosysteem

d)

levende invloeden

2.

Invloeden die van een ander organisme komen.

a)

organismen

b)

niet levende invloeden

c)

ecosysteem

d)

levende invloeden

3.

Invloeden die niet van een ander organisme komen, zoals regen, wind en temperatuur.

a)

organismen

b)

niet levende invloeden

c)

ecosysteem

d)

levende invloeden

4.

Een kenmerk van een organisme waardoor hij goed kan overleven in zijn omgeving.

a)

een aanpassing

b)

alle levende wezens; bacteriën, schimmels, planten en dieren.

c)

Plooikiezen

d)

Haaksnavel

5.

Wat is geen aanpassing van een plant in een droge en warme omgeving?

a)

Grote bladeren

b)

Kleine bladeren

c)

Vettige waslaag op de bladeren

d)

Veel wortels

6.

Een plant in een vochtige omgeving heeft....

a)

veel wortels

b)

weinig wortels

7.

Staat deze plant in een droge omgeving of een vochtige omgeving?

a)

In een droge omgeving

b)

In een vochtige omgeving

8.

Lichaamstemperatuur past zich aan met de temperatuur van de omgeving.

a)

warmbloedig

b)

koudbloedig

c)

omgevingsbloedig

d)

aangepast

9.

Warmbloedig

a)

lichaamstemperatuur is altijd gelijk (ong. 37 graden).

b)

lichaamstemperatuur past zich aan met de temperatuur van de omgeving.

c)

lichaamstemperatuur is standaard kouder van de omgeving

10.

Wat is geen aanpassing van een dier in een koude omgeving?

a)

isolatielaag

b)

wintervacht

c)

grote oren

d)

kleine poten

11.

Kiezen met harde ribbels. Vooral te vinden bij planteneters.

a)

Plooikiezen

b)

Knipkiezen

c)

Hoektanden

d)

Knobbelkiezen

12.

Wat voor soort kiezen zijn er afgebeeld?

a)

Plooikiezen

b)

Knipkiezen

c)

Knobbelkiezen

13.

Wat voor soort kiezen hebben alleseters?

a)

Plooikiezen

b)

Knipkiezen

c)

Knobbelkiezen

14.

grote kromme snavel met een scherpe punt; roofvogels en uilen

a)

Haaksnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Kegelsnavel

15.

Schutkleur

a)

kleur waardoor dieren onopvallend zijn in hun omgeving

Hierdoor vallen ze minder op.

b)

kleur waardoor dieren opvallend zijn in hun omgeving

Hierdoor vallen ze meer op

16.

Orgaan

a)

Een deel van een organisme met een bepaalde functie

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Meerdere organen die samenwerken voor dezelfde functie

d)

Bouwsteentje van het lichaam

17.

Weefsel

a)

Een deel van een organisme met een bepaalde functie

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Meerdere organen die samenwerken voor dezelfde functie

d)

Bouwsteentje van het lichaam

18.

Organen van de plant; zet plant stevig in de grond en neemt water met mineralen op.

a)

Wortel

b)

Stengel

c)

Bladeren

d)

Bloemen

19.

Organen van de plant; maken voedingsstoffen door fotosynthese

a)

Wortel

b)

Stengel

c)

Bladeren

d)

Bloemen

20.

Gas in de lucht die de plant opneemt voor fotosynthese

a)

Koolstofdioxide (CO2)

b)

Zuurstof

c)

Water met mineralen

d)

Glucose

21.

Energierijke stof die gemaakt wordt door fotosynthese

a)

Koolstofdioxide (CO2)

b)

Zuurstof

c)

Water met mineralen

d)

Glucose

22.

dunne haren aan de wortel waar de plant water mee opneemt.

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelharen

23.

Groepje vaten in een plant die water vervoeren.

a)

Vaatbundel

b)

Bloedvaten

c)

Bastvaten

d)

Houtvaten

24.

Vervoert water met mineralen van de wortel naar het blad.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

25.

Vervoert water met opgeloste stoffen (zoals suiker/glucose) van de bladeren naar alle delen van de plant

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

26.

Welke stoffen zijn er nodig om fotosynthese te doen?
(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

CO2

b)

Zuurstof

c)

Glucose

d)

Water (met mineralen)

27.

Welke stoffen ontstaan er na de fotosynthese?
(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

CO2

b)

Zuurstof

c)

Glucose

d)

Water (met mineralen)

28.

Welke stoffen zijn er nodig voor verbranding?
(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

CO2

b)

Zuurstof

c)

Glucose

d)

Water (met mineralen)

29.

Het proces waarbij energie vrij komt

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

c)

Vertering

d)

Evolutie

30.

Welke stoffen worden gebruikt als reservestof?
(er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)

a)

Eiwitten

b)

Vitamines

c)

Zetmeel

d)

Suiker

e)

Vetten

31.

Ontkiemen

a)

uit een zaadje groeit een plant

b)

een jonge plant

c)

Proces waarbij energie wordt gemaakt

32.

Welk orgaan eet je wanneer je sla eet?

a)

De bladeren

b)

De stengels

c)

De wortels

d)

De bloemen

e)

De vruchten

33.

Welk orgaan eet je wanneer je bloemkool eet?

a)

De bladeren

b)

De stengels

c)

De wortels

d)

De bloemen

e)

De vruchten

34.

Welk orgaan eet je wanneer je een komkommer eet?

a)

De bladeren

b)

De stengels

c)

De wortels

d)

De bloemen

e)

De vruchten

35.

Wie elkaar opeet

a)

Een liefdesrelatie

b)

Een voedselrelatie

c)

Een kind-ouder relatie

d)

Een werkrelatie

36.

Wat wordt er weergegeven in de afbeelding?

a)

Een voedselketen

b)

Een voedselweb

c)

Een voedselrelatie

d)

Een voedselkringloop

37.

Uit hoeveel schakels bestaat de langste voedselketen? Zie afbeelding

a)

4

b)

5

c)

7

d)

9

38.

Bij een voedselketen wijst de pijl altijd naar...

a)

naar degene die jou gaat opeten

b)

naar degene die jij gaat opeten

39.

Wat zijn producenten?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Afvaleters

d)

Bacteriën en schimmels

40.

Wat zijn reducenten?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Afvaleters

d)

Bacteriën en schimmels

41.

Wanneer vindt er fotosynthese plaats?

a)

Alleen overdag

b)

Alleen 's nachts

c)

Overdag en 's nachts

42.

Wanneer vindt er verbranding plaats?

a)

Alleen overdag

b)

Alleen 's nachts

c)

Overdag en 's nachts

43.

Bij wie vindt er fotosynthese plaats?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Bacteriën

d)

Schimmels

44.

Bij wie vindt er verbranding plaats?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Bacteriën

d)

Schimmels