Font size
WorksheetsWerkwoordspelling t.t., v.t. en v.d.
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
(bekijken, v.t.) Jos ... de foto nog eens goed.
(a)
(kleden, t.t.) Mama zei: "... je snel aan, we moeten gaan."
(a)
(verwijderen, v.d.) Alle fietsen voor dit raam worden ...
(a)
(praten) Rosa en Jan ... te veel in de klas.
(a)
(kliederen, t.t.) Mijn kleine zusje ... graag met lijm.
(a)
(verven, v.t.) De schilder ... de deuren.
(a)
(worden, t.t.) ... ik nu alweer gebeld?
(a)
(verraden, v.t.) Mijn vrienden ... waar ik verstopt zat.
(a)
(vinden, t.t.) Je ... mijn sleutel in het kastje.
(a)
(scheuren) Ik probeerde de ... foto nog te plakken.
(a)
(vechten. v.t.) De jongens ... tot de meester ze uit elkaar trok.
(a)
(snijden, t.t.) Mijn vader ... de taart in stukken.
(a)
(schudden. v.d.) Heb je de kaarten wel goed ...?
(a)
(redden, t.t.) De vrouw ... een kind uit het water.
(a)
(bouwen, v.d.) In onze wijk wordt een school ...
(a)
(spoeden, v.t.) De dokter ... zich naar de operatiekamer.
(a)
(verrassen, v.d.) Jouw cadeau heeft mij echt ...
(a)
(boffen, v.d.) We hebben echt ... met het mooie weer.
(a)
(feesten, v.t.) De studenten ... tot diep in de nacht.
(a)
(blozen, v.t.) Ik ... toen ik een compliment kreeg.
(a)
