wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1A krokusvakantie

Total questions: 55

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Duid het bijvoeglijk naamwoord aan.

a)

fantastisch

b)

bureaustoel

c)

regen

d)

snoeit

2.

Duid het zelfstandig naamwoord aan.

a)

geen

b)

lichtgevend

c)

bloempot

d)

ondertussen

3.

Duid het werkwoord aan.

a)

zouden

b)

café

c)

Spanje

d)

filmfragment

4.

Welk lidwoord ontbreekt in het rijtje: de, een, geen, ...?

(a)  

5.

Duid alle zelfstandige naamwoorden aan.

Er zijn meerdere mogelijkheden.

a)

boekentas

b)

kampvuur

c)

geboeid

d)

walgelijk

e)

snoep

6.

Duid alle bijvoeglijke naamwoorden aan.

Er zijn meerdere mogelijkheden.

a)

kaal

b)

wortel

c)

procent

d)

grappig

e)

miauwen

7.

Vul de zin aan met het best passende schooltaalwoord.

"Ik geloof niet dat veel mensen die uitspraak zullen ..."

a)

rangschikken

b)

ingewikkeld

c)

appreciëren

d)

vermijden

8.

Vul de zin aan met het best passende schooltaalwoord.

"Voor een leerling is ...... op zijn controletaak belangrijk om uit te leren.."

a)

fragment

b)

feedback

c)

rangschikking

d)

beschrijving

9.

Met of zonder hoofdletter?

a)

koala

b)

Koala

10.

Met of zonder hoofdletter?

a)

Nederlandse

b)

nederlandse

11.

Met of zonder hoofdletter?

a)

september

b)

September

12.

Met of zonder hoofdletter?

a)

moslim

b)

Moslim

13.

Met of zonder hoofdletter?

a)

maandag

b)

Maandag

14.

Met of zonder hoofdletter(s)?

a)

Zuid-Afrika

b)

Zuid-afrika

c)

zuid-afrika

d)

zuid-Afrika

15.

Hoeveel werkwoorden zitten er in deze zin?

"Ik zou vanavond graag willen wandelen."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Hoeveel werkwoorden zitten er in deze zin?

"De schilderijen werden teruggevonden in een ruime banketruimte"

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

Hoeveel werkwoorden zitten er in deze zin?

"Man uit India sleept bioscoop voor de rechter."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Toen ze thuiskwam, was de deur al gesloten."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

19.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Zit nu toch eens stil!"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

20.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Wij willen een langere speeltijd!"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

21.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Waarom staarde hij de hele tijd naar mij?"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

22.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Hij wil later een reis naar Australië maken."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

23.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"De hond heeft gisteren zijn bal gevonden in de tuin."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

24.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Ik heb dat verhaal toch al honderd keer verteld?"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

25.

In welke vorm staat het onderstreepte werkwoord?

"Kun jij mij helpen om de tafel te dekken voor het avondeten?"

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

26.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"De kok (a)   ( bereiden) een heerlijk gerecht voor de gasten."

27.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"De bouwvakkers (a)   (verwoesten) het oude huis."

28.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"Mijn opa (a)   (praten) altijd over toffe verhalen van vroeger."

29.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"De schilder (a)   (schilderen) een prachtig landschap."

30.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"De arbeiders (a)   (bouwen) een nieuwe brug over de rivier."

31.

In welke vorm staat het onderwerp 'ik'?

a)

eerste persoon enkelvoud

b)

eerste persoon

meervoud

c)

tweede persoon enkelvoud

d)

tweede persoon meervoud

32.

In welke vorm staat het onderwerp 'de huisdokter'?

a)

eerste persoon

enkelvoud

b)

tweede persoon enkelvoud

c)

derde persoon enkelvoud

d)

vierde persoon enkelvoud

33.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd.

" (a)   (worden) nu toch eens volwassen, zeg!"

34.

Van welke woordsoort is dit de definitie?

"Een ...... geeft een kenmerk of een eigenschap van het woord waar het bij hoort."

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

35.

Van welke woordsoort is dit de definitie?

" ...... is een woord voor een mens, een dier, een plant of een ding."

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

36.

Over welke vorm van het werkwoord gaat het?

"De ...... is de vervoegde vorm van het werkwoord. Hij kan in de verleden tijd of de tegenwoordige tijd staan."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

37.

Over welke vorm van het werkwoord gaat het?

"Een ...... vind je vaak bij hulpwerkwoorden als moeten, kunnen, mogen, willen. Deze vorm vind je terug in het (online) woordenboek. Hij eindigt meestal op –(e)n."

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

38.

Over welke vorm van het werkwoord gaat het?

"Als er bij een hoofdwerkwoord een hulpwerkwoord 'hebben' staat, dan is het hoofdwerkwoord een ..... "

a)

PV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

39.

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'hangen'?

a)

hing

b)

hieng

c)

hangde

40.

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'sluiten'?

a)

sloot

b)

sluitte

c)

sluite

d)

gesloten

41.

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'duiken'

a)

duikte

b)

dook

c)

diek

42.

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'brengen'?

a)

brengde

b)

bracht

c)

gebracht

43.

Wat is de verleden tijd van het werkwoord 'lachen'?

a)

lachte

b)

loog

c)

lachde

d)

banaan

44.

Met of zonder hoofdletter?

a)

krokusvakantie

b)

Krokusvakantie

45.

Met of zonder hoofdletter?

a)

Egyptisch

b)

egyptisch

46.

Met of zonder hoofdletter?

a)

de maan

b)

de Maan

47.

Met of zonder hoofdletter?

a)

polderstraat

b)

Polderstraat

48.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"Valerie (a)   (kuchen) opvallend luid."

49.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"Toen we al het bloed zagen, (a)   (vrezen) we het ergste."

50.

Vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

"Vroeger ...... (douchen) die broers drie keer per dag!"

a)

douchte

b)

douchde

c)

douchten

d)

douchden

51.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zitten er in deze zin?

"Vorig weekend schoten daders in Anderlecht op een nachtwinkel."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

52.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden zitten er in deze zin?

"De nieuwe regering wil het leger groter en beter maken."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

53.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan er in deze zin?

"Vorige week zwom er een gewone vinvis in de Noordzee."

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

54.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin?

"Elk jaar vallen ongeveer 50 doden en 4.500 gewonden omdat chauffeurs afgeleid zijn achter het stuur."

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

55.

Met of zonder hoofdletter?

a)

proximusmedewerker

b)

Proximusmedewerker