Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica, p.9 (samengestelde zin)

Total questions: 16

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het kenmerk van een enkelvoudige zin?

a)

De zin bevat een persoonsvorm

b)

De zin bevat twee persoonsvormen

c)

De zin bevat drie persoonsvormen

d)

De zin bevat meer dan drie persoonsvormen

2.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

3.

Een zin met meerdere persoonsvormen noem je ook wel een:

a)

enkelvoudige zin

b)

ingewikkelde zin

c)

samengestelde zin

d)

hoofdzin

4.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? De GGD heeft het contactonderzoek op onze school goed uitgevoerd.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

c)

geen van beide

5.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

6.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Sinds ze contactlenzen draagt, ziet Petra er veel vrolijker uit.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

7.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Sara heeft toch niet alweer haar boekentas met al haar spullen thuis laten liggen?

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

8.

Welke soorten zinnen heb je?

a)

Hoofdzinnen en bijzinnen

b)

Bijpassende zinnen en bijzinnen

9.

Wat is een kenmerk van een hoofdzin?

a)

In een hoofdzin staan de persoonsvorm en het onderwerp naast elkaar

b)

In een hoofdzin staan de persoonsvorm en onderwerp niet dicht bij elkaar

c)

in een hoofdzin staat de persoonsvorm helemaal achteraan in de zin

d)

In een hoofdzin staat helemaal geen persoonsvorm

10.

Wat is een kenmerk van een bijzin?

a)

Er staat geen persoonsvorm in de bijzin.

b)

Tussen de persoonsvorm en het onderwerp kun je iets in zetten

11.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Voegwoorden zijn woorden die zinnen aan elkaar voegen

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken

c)

Voegwoorden zijn woorden die zinnen of woorden aan elkaar voegen

12.

Welke soorten voegwoorden ken je?

a)

Naastschikkende en overschikkende voegwoorden

b)

Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden

13.

Nevenschikkende voegwoorden zijn:

a)

want, maar, en, of, dus

b)

zodat, doordat, omdat, of, maar

c)

zodat, doordat, omdat, totdat, dat

14.

Waar bestaat de volgende zin uit? Ik ga een nieuwe telefoon kopen, want mijn oude is kapot.

a)

hoofdzin

b)

bijzin + hoofdzin

c)

hoofdzin + hoofdzin

d)

hoofdzin + bijzin

15.

Waar bestaat de volgende zin uit? Omdat mijn oude telefoon kapot is, ga ik nu een nieuwe kopen.

a)

hoofdzin + hoofdzin

b)

bijzin + hoofdzin

c)

hoofdzin + bijzin

d)

bijzin + hoofdzin + hoofdzin

16.

Waar bestaat de volgende zin uit? Remco ruimt zijn kamer niet op, want hij is boos, omdat zijn broertje er een bende van heeft gemaakt.

a)

bijzin + bijzin + hoofdzin

b)

hoofdzin + bijzin

c)

hoofdzin + hoofdzin + bijzin

d)

bijzin + hoofdzin + hoofdzin