wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gedrag 8.1 8.2

Total questions: 22

Worksheet time: 2hrs 39mins

Name
Class
Date
1.

'Alles wat een mens of dier doet' noemen we:

(a)  

2.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

3.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

4.

Sommige prikkels, roepen altijd hetzelfde gedrag op.

Dit heet een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

5.

Je ziet de reclameborden van de pizzeria en krijgt trek. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

6.

Volwassen meeuwen hebben een rode stip op de onderkant van hun snavel. De jonge vogels openen bij het zien van deze stip altijd direct hun snaveltjes om gevoerd te kunnen worden.

Dit is een voorbeeld van een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Uitwendige prikkel

c)

Inwendige prikkel

7.

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.

Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.


Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?

a)

Honger

b)

Het bewegen van het nest

c)

Het ruiken van een worm

d)

Het zien van hun ouder

8.

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.

Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.


Wat is de inwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?

a)

Honger

b)

Het bewegen van het nest

c)

Het ruiken van een worm

d)

Het zien van hun ouder

9.

Wat is een sleutelprikkel?

a)

Een prikkel die bij voldoende motivatie een reactie oproept.

b)

Een prikkel die reacties stopt.

c)

Een uitwendige prikkel die past op een inwendige prikkel.

d)

Een prikkel die telkens dezelfde reactie oproept.

10.

Dit is een voorbeeld van een protocol

a)

juist

b)

onjuist

11.

Dit is een voorbeeld van een ethogram

a)

waar

b)

niet waar

12.

je spreekt van een gedragsketen als

a)

Er gepaard wordt

b)

een dier 2 keer dezelfde handeling verricht per minuut

c)

gedrag uit een serie vaste handelingen en vaste volgorde bestaat

d)

Als een dier in het wild ander gedrag laat zien dan in gevangenschap

13.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram

14.

De juiste volgorde van gedragsonderzoek is:

observeren - ethogram maken - protocol maken - resultaten verwerken

a)

Goed

b)

Fout

15.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

16.

Selecteer voorbeelden van een protocol

a)
b)
c)
d)
17.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: motivatie

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.

18.

Welke organismen vertonen gedrag?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dieren

19.

Floor steekt haar hand op in de klas. Mevrouw Ruijters concludeert dat Floor een vraag wil stellen.


Is dit een observatie of een interpretatie van de docent?

a)

observatie

b)

interpretatie

20.

Een eendenkuikentje wordt door een snoek in zijn poot gebeten. Het eendje ziet de snoek niet, maar piept hard en probeert weg te zwemmen.



Wordt het piepen veroorzaakt door een inwendige prikkel of een uitwendige prikkel?

a)

inwendige prikkel

b)

uitwendige prikkel

21.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: prikkel

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.

22.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: respons

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.