Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz Menstruatie

Total questions: 35

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een mesntruatiecyclus?
Dit soort vragen komen ook op het examen.

4 lines
2.

Mannen hebben eicellen.

a)

Mannen produceren zaadcellen, die net als eicellen de helft van het erfelijk materiaal bevatten. Hoewel ze vergelijkbaar zijn, zijn zaadcellen en eicellen verschillende soorten geslachtscellen met elk hun eigen rol.

b)

Mannen produceren zaadcellen in de testikels, die nodig zijn om een vrouwelijke eicel te bevruchten.

3.

Hoe gooi je een menstruatieproduct het weg na gebruik?

a)

Gebruikte menstruatieproducten zoals tampons, maandverband of inlegkruisjes gooi je het beste in een afvalbak, bij voorkeur een gesloten prullenbak om geurtjes en hygiëne te beperken. Spoel deze producten nooit door het toilet, omdat ze verstoppingen kunnen veroorzaken en het riool kunnen beschadigen. Sommige duurzame producten, zoals menstruatiecups, kun je na gebruik schoonmaken en hergebruiken.

b)

Na gebruik mag je menstruatieproducten zoals tampons en maandverband gewoon door het toilet spoelen, want ze zijn biologisch afbreekbaar en zorgen niet voor verstoppingen. Ook hoef je ze niet in een prullenbak te doen; dit is onnodig en onhygiënisch.

4.

Wat zijn hormonale anticonceptie?

a)

Hormonale anticonceptie werkt door het onderdrukken van de hypothalamus-hypofyse-gonaden as, waardoor de afgifte van luteïniserend hormoon (LH) en follikelstimulerend hormoon (FSH) afneemt. Dit voorkomt de eisprong (ovulatie). Daarnaast verdikt het de cervixslijm, wat het sperma bemoeilijkt om de baarmoeder binnen te dringen, en maakt het het baarmoederslijmvlies minder geschikt voor innesteling van een bevruchte eicel. Deze gecombineerde effecten zorgen voor een hoge effectiviteit bij het voorkomen van zwangerschap. Er zijn verschillende vormen, zoals de pil, het implantaat en de spiraal, die elk hun eigen gebruiksvoordelen en mogelijke bijwerkingen hebben.

b)

Hormonale anticonceptie werkt door het stimuleren van de afgifte van LH en FSH, wat ervoor zorgt dat er regelmatig eicellen vrijkomen. Hierdoor wordt het baarmoederslijmvlies dikker en beter voorbereid op een zwangerschap, zodat het lichaam beter kan voorkomen dat er een bevruchte eicel innestelt.

5.

Geef een andere benaming voor maandstonden.

a)

menstruatie

b)

bloedweek

c)

maanstruatie

6.

Op welke leeftijd heeft men voor het eerst de menstruatie in België?

a)

Rond de 11 à 14 jaar.

b)

Rond de 15 à 16 jaar.

c)

Rond de 12 à 13 jaar.

7.

Op wat bereid het vrouwelijke voorplantingsstelsel zich elke maand voor?

(a)  

8.

Hoe bereid het lichaam zich voor?

4 lines
9.

Hoe komt het dat men een onregelmatige cyclus heeft?

4 lines
10.

Van waar komt de pijn tijdens de menstruatie?

4 lines
11.

Hoeveel ml bloed verliest men per maand tijdens de menstruatie?

a)

2 tot 3 eetlepels

b)

4 tot 5 eetlepels

12.

Hoeveel uur kan je de menstruatiecup inhouden?

a)

A) Maximaal 4 uur, anders is er risico op infectie.

b)

B) Tot 12 uur, afhankelijk van de hevigheid van je menstruatie.

13.

Vul aan: Wanneer de .............................. echter niet bevrucht wordt door een zaadcel lost ze op, en wordt ze samen met het ............................ afgebroken en via de vagina naar buiten gebracht. Dat lijkt op een soort bloed en noemen ze ................................. . Na de menstruatie begint alles weer opnieuw, er rijpt een nieuw eitje. Dat noemen ze de menstruatiecyclus.

a)

slijmvlies

b)

puberteit

c)

eicel

d)

slijmvlies

e)

eicellen

14.

Vul aan: Intussen heeft de .............................. zich klaargemaakt om een, bevruchte, eicel te laten nestelen en groeien tot een ............................... .

a)

baarmoeder

b)

puberteit

c)

eisprong

d)

eierstokken

e)

baby

15.

Vul aan: Vanaf de .................................... rijpt er elke maand in een van de twee ............................... zo'n eitje.

a)

baarmoeder

b)

puberteit

c)

eisprong

d)

eierstokken

e)

eicellen

16.

Vul aan: Als meisje word je geboren met ......................................... eicellen in je eierstokken.

a)

honderd

b)

een milioen

c)

honderdduizenden

17.

Welke uitspraken zijn juist? Kruis aan.

a)

Een meisje is vruchtbaar vanaf een tijdje voor haar eerste maandstonden. Vanaf dan zou ze dus zwanger kunnen worden.

b)

Eens een meisje begint te menstrueren, blijft ze dit doen tot het einde van haar leven.

c)

Wanneer je menstrueert stroomt het bloed er echt uit. Je blijft best de ganse tijd op de wc zitten.

d)

Tijdens je maandstonden kan je nog steeds alles doen wat je wil. Zwemmen, fietsen, paardrijden, ...

18.

Welke hormonen ken je al?

4 lines
19.

Hormonen zetten de pubertijd op gang. Maar wat zijn hormonen nu eigenlijk juist?

(a)  

20.

Vul de kaders verder aan in je eigen woorden. Je maakt gebruik van de interactieve afbeelding van vorige opdracht. Dag 1-4: ………………………………………….

4 lines
21.

Wat gebeurd er dag 1-4: ……………………………………….
Dit soort vraag komt op de grote toets

4 lines
22.

Wat gebeurd er dag 5-13: ………………………………………
Dit soort vraag komt op de grote toets

4 lines
23.

Dag 14-15: ………………………………………
Dit soort vraag komt op de grote toets

4 lines
24.

Welke menstruatieproducten bestaan er?

4 lines
25.

Welk menstruatie product verkies je nu en waarom?

4 lines
26.

Wat is dit?

(a)  

27.

Wat is het premenstrueel syndroom?
Dit soort vragen komen op het examen.

4 lines
28.

Welk hormoon zal een week voor de menstruatie op zijn piek zijn en voor heel wat lichamelijke klachten zorgen?

a)

A) Oestrogeen – het daalt juist in deze periode, dus het veroorzaakt geen klachten.

b)

B) Progesteron – dit hormoon stijgt na de eisprong en kan leiden tot symptomen zoals een opgeblazen gevoel, stemmingswisselingen en gevoelige borsten.

c)

C) Testosteron – dit hormoon speelt geen grote rol in de menstruatiecyclus.

29.

Hoelang duren de menstruaties gemiddeld?

(a)  

30.

Bruin bloed is abnormaal.

a)

A) Het is abnormaal en duidt altijd op een infectie.

b)

B) Het betekent dat je menstruatie helemaal is gestopt.

c)

C) Het is oud bloed dat trager is afgevoerd en daardoor is verkleurd.

31.

Is de bloeding minder erg wanneer je de pil neemt?

a)

Dat klopt in de meeste gevallen.

b)

Dat klopt in de meeste gevallen niet.

32.

Vanaf welk moment kun je starten aan de pil?

a)

A) Je mag pas beginnen na je menstruatie, want de pil werkt niet als je al bloedt.

b)

B) Een week nadat je menstruatie begint, zodat je lichaam eerst “schoon” is.

c)

C) Op de eerste dag van je menstruatie; dan ben je meteen beschermd tegen zwangerschap.

33.

Wat zorgt ervoor dat men tijdens de menstruatie moodswings ervaart?

a)

A) Een tekort aan vitamine C, waardoor het zenuwstelsel tijdelijk minder goed functioneert.

b)

B) Schommelingen in de hormonen oestrogeen en progesteron, die invloed hebben op stemmingsregulatie in de hersenen.

c)

C) Een teveel aan ijzer in het bloed, wat leidt tot prikkelbaarheid en vermoeidheid.

34.

Hoe komt het dat je op het einde van de menstruatie een euforisch moment ervaart?

4 lines
35.

Wat is het PMS of Premenstrueel syndroom? Bekijk de afbeelding en de vorige opdrachten terug om deze term te verklaren.

4 lines