wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bio3_H5_het zenuwstelsel

Total questions: 67

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Depolarisatie is wanneer het ladingsverschil verdwijnt bij rustpotentiaal

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Bij een actiepotentiaal wordt de binnenkant van het membraan positiever en de buitenkant negatiever.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Een axon is ongevoelig als het terugkomt naar zijn normale staat, ook wel (a)   genoemd.

4.

Hoe kan de snelheid van een impuls verhoogd worden?

a)

door smeerolie

b)

myeline en knopen van Ranvier

c)

door de eindkoopjes

d)

neurotransmitters

5.

Een membraanpotentiaal wordt in stand gehouden door

a)

verschil in lading

b)

door ionen

c)

door elektrische lading

d)

door een axon

6.

De neurotransmitters veranderen de membraaneigenschappen van de volgende synaps, waardoor er een overdracht ontstaat.

a)

Niet waar

b)

Waar

7.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

8.

Wat is de naam van onderdeel 1 en wat geven de zwarte pijlen 2 aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

9.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

10.

Hoe noemen we een snelle, onbewuste reactie?

a)

Prikkel

b)

Waarneming

c)

Reflex

d)

Zenuw

11.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

12.

Het centraal zenuwstelsel bestaat uit ...

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Ruggenmerg en Hersenen

d)

Zenuwen en Ruggenmerg

13.

Zenuwbundels bestaan uit zenuwvezels omgeven door een bindweefselschede.

a)

Juist

b)

Fout

14.

Het zenuwstelsel en/of hormoonstelsel doen dienst als ...

(a)  

15.

Duid het correcte antwoord aan voor nr. 1 op de afbeelding.

a)

axon

b)

eindknopjes

c)

dendriet

d)

cellichaam

16.

Duid het correcte antwoord aan voor nr. 4 op de afbeelding.

a)

axon

b)

eindknopjes

c)

dendrieten

d)

cellichaam

17.

Wat is de functie van nr. 5 op de afbeelding?

a)

isoleren van het axon

b)

impulsgeleiding vertragen

c)

het neuron van zuurstof en voedingsstoffen voorzien

d)

het neuron beschermen tegen bacteriën

18.

Duid alle juiste stellingen aan.

a)

In een neuron is er altijd eenrichtingsverkeer.

b)

De impulsgeleiding verloopt van eindknopjes naar dendrieten.

c)

Het axon geleidt zenuwimpulsen van het cellichaam weg.

d)

Dendrieten geven zenuwimpulsen door naar andere neuronen.

19.

Wat is een synoniem voor motorische neuronen?

a)

schakelneuronen

b)

efferente neuronen

c)

afferente neuronen

d)

sensorische neuronen

20.

Je ziet drie soorten neuronen. Welk antwoord heeft alle drie de neuronen juist benoemd?

a)

1 = efferent neuron 2 = schakelneuron 3 = motorisch neuron

b)

1 = motorisch neuron 2 = schakelneuron 3 = sensorisch neuron

c)

1 = sensorisch neuron 2 = schakelneuron 3 = afferent neuron

d)

1 = afferent neuron 2 = schakelneuron 3 = motorisch neuron

21.

Hoe noem je de ruimte tussen twee zenuwcellen of neuronen?

(a)  

22.

Welke fase van de impulsgeleiding zie je op de linkerafbeelding?

a)

herstelfase

b)

actiefase

c)

rustfase

23.

Bij welke fase van de impulsgeleiding staat het vraagteken?

(a)  

24.

De impulsoverdracht tussen twee neuronen is een chemisch proces.

a)

Juist

b)

Fout

25.

Neurotransmitters zijn ...

a)

een specifieke soort zenuwcellen

b)

chemische stoffen

c)

elektrische impulsen die de synaps kunnen oversteken

26.

Wat voor type neuron is 5?

a)

Sensorisch neuron

b)

Motorisch neuron

c)

Schakelneuron

27.

Wat voor neuron is dit?

a)

Sensorisch neuron

b)

Motorisch neuron

c)

Schakelzenuwcel

28.

De bouw van een zenuwcel bestaat uit..

a)

Dendriet

b)

Knoop of insnoering van Ranvier

c)

Axon

d)

Alle 3 de antwoorden zijn juist.

29.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> gevoelszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> bewegingszenuwcel --> spier of klier

b)

Prikkel --> zintuig --> bewegingszenuwcel --> centrale zenuwstelsel --> gevoelszenuwcel --> spier of klier

30.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

31.

Als een spier of klier wordt aangestuurd, gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

32.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

33.

Wat is een belangrijk verschil tussen een gevoelszenuwcel en een bewegingszenuwcel?

a)

Bij een gevoelszenuwcel gaat een impuls 2 kanten op, bij een bewegingszenuwcel slechts 1 kant op.

b)

De ligging van het cellichaam.

c)

De een ligt volledig in het centrale zenuwstelsel, de ander erbuiten.

d)

De snelheid van impuls-transport.

34.

Wat is de functie van de uitloper van een zenuwcel?

a)

Impulsen doorgeven aan een andere zenuwcel

b)

Prikkels doorgeven aan een andere zenuwcel

c)

Impulsen opvangen van een andere zenuwcel

d)

Prikkels opvangen van een andere zenuwcel

35.

Welke beenderen beschermen je ruggenmerg?

a)

Wervels

b)

Schedel

c)

Ribben

d)

Heiligbeen

36.

Hoe noemen we het groene gedeelte?

a)

Grote hersenen

b)

Kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Hersenbalk

37.

Wat is de naam van het groene gedeelte?

a)

Kleine hersenen

b)

Grote hersenen

c)

Hersenstam

d)

Hersenbalk

38.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
39.
Welk stelsel werkt sneller?
a)
het hormoonstelsel
b)
het zenuwstelsel
c)
allebei net zo snel
40.
De veranderingen van de jongen in het plaatje komen door:
a)
geslachtshormoon
b)
groeihormoon
c)
geslachtshormoon én groeihormoon
d)
geen van de twee hormonen
41.

Bij een slap arm, tinteling in je arm, is er sprake van afknelling van :

a)

bewegingszenuwcellen

b)

gevoelszenuwcellen

c)

schakelcellen

42.

Wat is er aangeduid met de pijl?

a)

Dendriet

b)

Axon

c)

Cellichaam

d)

Knoop van Ranvier

43.

Impulsgeleiding loopt van

a)

dendriet naar axon

b)

axon naar dendriet

44.

Impulsgeleiding tussen zenuwcellen verloopt

a)

chemisch

b)

elektrisch

c)

elektrochemisch

d)

mechanisch

45.

Zet de stappen in de juiste volgorde.

Lien hoort haar lievelingsliedje op de radio en begint luidkeels mee te zingen.

A. De spieren in de keel worden geactiveerd als reactie op de prikkel.

B. De hersenen vangen de impuls op.

C. De gehoorzenuw geeft een impuls door.

D. Gehoorreceptoren vangen het geluid op.

E. Een geluid wordt opgevangen door het oor.

F. Ruggenmergzenuwen geven de impuls verder naar de effectoren.

a)

E, D, C, B, F, A

b)

E, C, D, B, F, A

c)

E, C, F, B, D, A

d)

A, C, F, B, D, E

46.

Wat is de rol van de myelineschede in zenuwcellen?

a)

Het reguleren van de bloedtoevoer

b)

Het opslaan van neurotransmitters

c)

Het beschermen van het cellichaam

d)

Het versnellen van de impulsgeleiding

47.

Wat gebeurt er tijdens een reflexreactie?

a)

De hersenen zijn direct betrokken

b)

De reactie is altijd bewust

c)

De impuls gaat via het ruggenmerg

d)

Er is geen prikkel nodig

48.

Wat is de functie van de dendrieten in een neuron?

a)

Impulsen doorgeven aan andere neuronen

b)

De celkern beschermen

c)

Prikkels ontvangen van andere neuronen

d)

De snelheid van impulsgeleiding verhogen

49.

De grote hersenen:

a)

coördineren evenwicht en beweging

b)

zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen

c)

regelen onbewuste levensprocessen en reflexen

50.

De kleine hersenen:

a)

vindt bewustwording plaats

b)

worden onbewuste levensprocessen geregeld

c)

regelen reflexen

d)

zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht

51.

De hersenstam:

a)

regelt onbewuste levensprocessen en reflexen

b)

coördineert bewegingen en evenwicht

c)

zet informatie vast in je geheugen

52.

Een gezond persoon doet de Ice-Bucket Challenge en gooit een emmer ijswater over zijn hoofd. Hij wordt zich bewust van de kou. In welk deel van de hersenen gebeurt dit?

a)

Grote hersenen

b)

Hersenstam

c)

Kleine hersenen

53.

Bepaalde delen van de hersenschors hebben een eigen taak. Zo'n deel heet een (a)  

54.

Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere organen. Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De grote hersenen, de kleine hersenen en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, de hersenstam en de zenuwbanen

55.

Het perifere zenuwstelsel omvat ..

a)

de hersenen en de zenuwbanen

b)

het ruggenmerg en de zenuwbanen

c)

alleen de zenuwbanen

56.

Een reflex heeft een korte en snelle werking om het lichaam te beschermen. De weg van een reflexboog is ..

a)

zintuigcel-gevoelszenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

b)

impuls-bewegingszenuwcel-grote hersenen-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

prikkel-gevoelszenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-bewegingszenuwcel

57.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

58.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
59.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
60.

Enkele delen van het zenuwstelsel zijn:

1. Ruggenmerg

2. Hersenstam

3. Gevoelszenuwcel

4. Grote en/of kleine hersenen


Je ruikt, als je de gymzaal binnenkomt, een zweetlucht. Welke volgorde is juist?

a)

3 - 1 - 2 - 4

b)

3 - 2 - 4

c)

3 - 1 - 4 - 2

d)

1 - 3 - 2 - 4

61.

Een zenuwcel heeft een cellichaam met een celkern.

a)

Niet waar

b)

Waar

62.

In welke richting worden impulsen geleid door een bewegingszenuwcel?

a)

Geleidt impulsen van zintuigen naar het CZS

b)

Geleidt impulsen binnen het CZS

c)

Geleidt impulsen van het CZS naar spieren of klieren

63.

De kleine hersenen werken door alcohol minder goed. Iemand met veel alcohol in het bloed krijgt dan problemen met zijn evenwicht.

In de afbeelding is een doorsnede van de hersenen weergegeven.

Welke letter geeft de kleine hersenen aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

64.

Prikkels van de reflexen lopen via de hersenstam. Welke letter in de afbeelding geeft de hersenstam aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

65.

Wat is de naam van het geplooide gedeelte aan de buitenkant van de grote hersenen?

(a)  

66.

Als deze hersenzone beschadigd is, kan een persoon niet meer zo goed spreken.

a)

Broca

b)

Hypothalamus

c)

Hersenstam

d)

Hersenschors

67.

Welke letter komt overeen met de frontale lob

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D