wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KT | Verbranding en ademhaling

Total questions: 62

Worksheet time: 47mins

Name
Class
Date
1.

Welke 2 stoffen heb je nodig voor verbranding?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide (CO2)

c)

Brandstof

d)

Water

2.

Welke 2 stoffen ontstaan na verbranding?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide (CO2)

c)

Brandstof

d)

Water

3.

Onderstaand zie je een verbrandingsschema van het menselijk lichaam.

Welke stof ontbreekt?

zuurstof + (a)   --> koolstofdioxide + water + energie

4.

Onderstaand zie je een verbrandingsschema van het menselijk lichaam.

Welke stof ontbreekt?

(a)   + glucose --> koolstofdioxide + water + energie

5.

Onderstaand zie je een verbrandingsschema van het menselijk lichaam.

Welke stof ontbreekt?

zuurstof + glucose --> koolstofdioxide + (a)   + energie

6.

Als je een glas over een brandende kaars heen zet, stopt de vlam na een paar seconden met branden.

Waarom?

a)

De vlam krijgt geen zuurstof meer

b)

De vlam krijgt geen koolstofdioxide (CO2) meer

c)

De vlam maakt te veel zuurstof

d)

De brandstof is op

7.

Je lichaam is altijd bezig met verbranding. Ook als je de hele dag in bed ligt.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Er zijn meerdere antwoorden goed.

Je lichaam doet de hele dag aan verbranding om...

a)

Te kunnen bewegen

b)

Je lichaamstemperatuur stabiel te houden

c)

Je organen te laten werken

d)

In leven te blijven

9.

Wie zal het meeste koolstofdioxide (CO2) produceren?

a)

Iemand die op de bank een boek leest

b)

Iemand die aan het hardlopen is

10.

Een persoon is aan het sporten. Tijdens het sporten verbrand je meer.

Water en koolstofdioxide ontstaan als afvalstoffen tijdens de verbranding.

Hoe verlaat het water het lichaam tijdens het sporten?

a)

Via zweet

b)

Via de uitademing (waterdamp)

c)

Via plas

d)

Via de inademing

11.

Een persoon is aan het sporten. Tijdens het sporten verbrand je meer.

Water en koolstofdioxide ontstaan als afvalstoffen tijdens de verbranding.

Hoe verlaat de koolstofdioxide (CO2) het lichaam?

a)

Via zweet

b)

Via de uitademing

c)

Via plas

d)

Via de inademing

12.
Wat is bij deze verbranding de brandstof?
a)
de vlam
b)
het kaarsvet
c)
de zuurstof 
13.

Hoe heet onderdeel #1?

(a)  

14.

Hoe heet onderdeel #2?

(a)  

15.

Hoe heet onderdeel #3?

(a)  

16.

Hoe heet onderdeel #4?

(a)  

17.

Hoe heet onderdeel #5?

(a)  

18.

Hoe heet onderdeel #7?

(a)  

19.

Hoe heet onderdeel #8?

(a)  

20.

Hoe heet onderdeel #10?

(a)  

21.

Bij welk nummer zie je de luchtpijptakjes?

(a)  

22.

Hoe heet onderdeel #6?

a)

bronchiën

b)

luchtpijp

c)

strottenhoofd

d)

longblaasjes

23.

Bij welk nummer zie je het strottenklepje?

(a)  

24.

Bij welk nummer zie je de huig?

(a)  

25.

Bij welk nummer zie je de bronchiën?

(a)  

26.

Bij welk nummer zie je de neusholte?

(a)  

27.

Bij welk nummer zie je de longblaasjes?

(a)  

28.

Bij welk nummer zie je de keelholte?

(a)  

29.

Bij welk nummer zie je de luchtpijp?

(a)  

30.

Bij welk nummer zie je de long?

(a)  

31.

Dit onderdeel zorgt ervoor dat de ingeademde lucht vochtig wordt. Ook blijven kleine stofdeeltjes en bacteriën erin plakken.

a)

Slijmlaag

b)

Trilharen

c)

Bloedvaten

d)

Reukzintuigjes

32.

Dit onderdeel vangt grote stofdeeltjes op. Ook verplaatst het slijm naar de keelholte om door te slikken.

a)

Slijmlaag

b)

Trilharen

c)

Bloedvaten

d)

Reukzintuigjes

33.

Dit onderdeel geeft warmte af waardoor de ingeademde lucht opwarmt.

a)

Slijmlaag

b)

Trilharen

c)

Bloedvaten

d)

Reukzintuigjes

34.

Met dit onderdeel kan je geurtjes uit de lucht waarnemen.

a)

Slijmlaag

b)

Trilharen

c)

Bloedvaten

d)

Reukzintuigjes

35.

Je slokdarm en luchtpijp liggen naast elkaar in het strottenhoofd. Om te voorkomen dat eten en drinken het 'verkeerde gat' in schiet, heb je een huig en strotklepje.

Wanneer de huig en het strotklepje open staat, is een persoon aan het...

a)

Ademen

b)

Slikken

c)

Verslikken

36.

Je slokdarm en luchtpijp liggen naast elkaar in het strottenhoofd. Om te voorkomen dat eten en drinken het 'verkeerde gat' in schiet, heb je een huig en strotklepje.

Wanneer de huig en het strotklepje dicht staat, is een persoon aan het...

a)

Ademen

b)

Slikken

c)

Verslikken

37.

Op de luchtpijp zitten stevige ringen om de pijp open te houden. Waarvan zijn deze ringen gemaakt?

(a)  

38.

Het opnemen van zuurstof en het afgeven van koolstofdioxide noem je ?

a)

Gaswisseling

b)

Stofwisseling

c)

Fotosynthese

39.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

40.

Welke pijl geeft de richting van koolstofdioxide (CO2) aan?

(a)  

41.

Welke pijl geeft de richting van zuurstof aan?

(a)  

42.

Je ziet een schematische tekening van enkele longblaasjes met longhaarvaten. Drie plaatsen zijn aangegeven met P, Q en R. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan.

Op welke plaats is het koolstofdioxidegehalte het hoogst?

a)

Q

b)

R

c)

P

43.

Welk type ademhaling zie je op dit plaatje?

a)

Borstademhaling

b)

Buikademhaling

44.

Welk type ademhaling zie je op dit plaatje?

a)

Borstademhaling

b)

Buikademhaling

45.

Welke spieren gebruik je bij de borstademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Buikspieren

c)

Middenrif

46.

Welke spieren gebruik je bij de buikademhaling?

a)

Tussenribspieren

b)

Buikspieren

c)

Middenrif

47.

Zet de stappen van de inademing bij borstademhaling op de juiste volgorde. Geef je antwoord met de nummers aan elkaar.

  1. 1. De borstholte wordt groter

  2. 2. Het borstbeen en de ribben bewegen omhoog

  3. 3. Lucht stroomt de longen in

  4. 4. Tussenribspieren spannen aan



(a)  

48.

Zet de stappen van de uitademing bij buikademhaling op de juiste volgorde. Geef je antwoord met de nummers aan elkaar.

  1. 1. De borstholte wordt kleiner

  2. 2. Het middenrif beweegt omhoog

  3. 3. Lucht wordt de longen uit geperst

  4. 4. Het middenrif en de buikspieren ontspannen



(a)  

49.

In grote steden hangt soms een soort ''mist'' van fijnstof. Hoe noem je deze luchtvervuiling?

(a)  

50.

Je gaat een ruimte ventileren door een raam open te zetten. Wat gebeurt er met het gehalte koolstofdioxide (CO2) en zuurstof in de ruimte?

a)

Koolstofdioxide (CO2) gehalte omhoog

b)

Koolstofdioxide (CO2) gehalte omlaag

c)

Zuurstof gehalte omhoog

d)

Zuurstof gehalte omlaag

51.

Welk proces past bij dit schema?

Water + koolstofdioxide (CO2) + licht --> zuurstof + glucose

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

52.

Welk proces past bij dit schema?

Zuurstof + glucose --> water + koolstofdioxide (CO2) + energie

a)

Fotosynthese

b)

Verbranding

53.

Tijdens de fotosynthese wordt energie...

a)

Vastgelegd

b)

Gebruikt

54.

Hoe noem je het cel-onderdeel waarin fotosynthese plaatsvind?

(a)  

55.

Tijdens de verbranding wordt energie...

a)

Vastgelegd

b)

Verbruikt

56.

Hoe noem je het cel-onderdeel waarin verbranding plaatsvind?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Mitochondriën

c)

Celkern

d)

Celplasma

57.

Planten doen aan fotosynthese in het licht. Ze gebruiken de gemaakte glucose voor verbranding in het donker.

a)

Waar

b)

Niet waar

58.

Dit gas is geurloos. Het vermindert je conditie doordat het aan je rode bloedcellen hecht. Hierdoor kan je minder zuurstof vervoeren.

a)

Koolstofmonoxide

b)

Teer

c)

Nicotine

59.

Deze stof is plakkerig en donker van kleur. Het vermindert je conditie doordat de wand van de longblaasjes er bedekt mee raakt en zo de gaswisseling wordt belemmert. Je longen kleuren er zwart van, je trilhaartjes kunnen niet meer goed bewegen waardoor je rokershoest krijgt. Ook is het kankerverwekkend.

a)

Koolstofmonoxide

b)

Teer

c)

Nicotine

60.

Deze stof geeft mensen een prettig gevoel. Hierdoor is roken verslavend. Daarnaast verhoogt het je kans op hart- en vaatziekten.

a)

Koolstofmonoxide

b)

Teer

c)

Nicotine

61.

Bekijk de grafiek. In welk jaar rookte 30% van de mannen?

(a)  

62.

Bekijk de grafiek. In 2005 rookte ongeveer 25% van de vrouwen. Hoe veel % van de vrouwen rookte niet?

(a)