wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Diagnostische toets: Erfelijkheid en evolutie

Total questions: 62

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Wordt de lichaamslengte alleen bepaald door het genotype?

a)

ja

b)

nee

2.

Bij de ziekte astma zijn de luchtwegen vernauwd, onder andere doordat spiercellen in de wand van de luchtwegen samentrekken. Astma is erfelijk bepaald. Bevindt zich bij iemand die aan astma lijdt, het erfelijk materiaal voor astma alleen in de spiercellen van de luchtwegen?

a)

ja

b)

nee

3.

Bevindt zich bij iemand die aan astma lijdt, het erfelijk materiaal voor astma in alle chromosomen in een cel?

a)

ja

b)

nee

4.

In afbeelding 2.1 zie je de larve van een dennenstamkever. In afbeelding 2.2 zie je hetzelfde dier maar enkele maanden later. De larve is een volwassen dier geworden. Hebben de larve en het volwassen dier hetzelfde fenotype?

a)

ja

b)

nee

5.

Hebben de larve en het volwassen dier hetzelfde genotype?

a)

ja

b)

nee

6.

Bij een organisme komen twee ongelijke allelen van een allelenpaar even sterk tot uiting in het fenotype. Dit organisme heeft een intermediair fenotype voor deze eigenschap.

a)

juist

b)

onjuist

7.

De manx is een staartloze kat. De eigenschap staartloos is het gevolg van het dominante allel A. Voor fokkers van dit ras doet zich het volgende probleem voor: homozygoot staartloze jongen zijn niet levensvatbaar. Ze sterven voor de geboorte. Het genotype van een levende staartloze kat is Aa. Is deze uitspraak juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

8.

Sommige mensen produceren na het eten van asperges urine met een nare geur, andere mensen niet. De eigenschap ‘produceren van een vies ruikende geurstof na het eten van asperges’ wordt bepaald door een dominant gen (A). De urine van mensen die homozygoot recessief voor deze eigenschap (aa) zijn, ruikt niet na het eten van asperges. Ella is in verwachting. Vóór haar zwangerschap produceerde ze na het eten van asperges geen ruikende urine, nú wel. Na een aspergemaaltijd van de moeder gaat de ongeboren baby de ruikende geurstof wél produceren. De geurstof komt dan in het bloed van de moeder terecht en wordt door haar nieren uitgescheiden. Wat is het genotype van de baby voor de eigenschap om een vies ruikende geurstof te produceren na een aspergemaaltijd?

a)

A heterozygoot

b)

B homozygoot dominant

c)

C homozygoot recessief

9.

Layla heeft een klasgenoot met doorlopende wenkbrauwen. Ze wil weten of het hebben van doorlopende wenkbrauwen bij deze jongen erfelijk bepaald is. Ze zoekt hem thuis op en ontdekt dat zijn vader ook doorlopende wenkbrauwen heeft, maar zijn moeder niet. Kan Layla op grond van deze waarneming de conclusie trekken dat het hebben van doorlopende wenkbrauwen erfelijk bepaald is? Zo ja, kan ze dan ook concluderen of het allel voor deze eigenschap dominant is?

a)

Ze kan op geen van beide punten een conclusie trekken.

b)

Ze weet dan zeker dat het hebben van doorlopende wenkbrauwen erfelijk bepaald is en dat het wordt veroorzaakt door een dominant allel.

c)

Ze weet dan zeker dat het hebben van doorlopende wenkbrauwen erfelijk bepaald is, maar ze weet niet of het door een dominant of een recessief allel wordt veroorzaakt.

10.

Personen 1 en 6 in afbeelding 17 zijn vrouwen met blauwe ogen. Persoon 2 is een man met bruine ogen. Hij is heterozygoot voor deze eigenschap. Wat kun je zeggen over persoon 8?

a)

Zij is heterozygoot voor de eigenschap oogkleur.

b)

Zij is homozygoot voor blauwe ogen of heterozygoot voor de eigenschap oogkleur.

c)

Zij is homozygoot voor de eigenschap blauwe ogen.

d)

Zij is homozygoot voor de eigenschap bruine ogen.

11.

Sommige planten kunnen zaad vormen zonder dat er bevruchting is opgetreden. De eicellen ontstaan dan door gewone celdeling en niet door reductiedeling. Het vormen van zaad zonder bevruchting wordt apomixis genoemd. In welke cellen van een plant bevinden zich de genen voor apomixis?

a)

alleen in de eicellen

b)

alleen in de cellen van de zaden

c)

in alle cellen van de plant

12.

Een mutatie is een verandering in het fenotype, veroorzaakt door milieu factoren.

a)

juist

b)

onjuist

13.

Een cel waarin veel mutaties hebben plaatsgevonden, kan kanker veroorzaken.

a)

juist

b)

onjuist

14.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
15.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden.Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
16.
Kunnen door mutaties en geslachtelijke voortplanting organismen ontstaan met nieuwe genotypen?
a)
juist
b)
onjuist
17.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
18.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
19.
Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen? 
a)
juist
b)
onjuist
20.
John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?
a)
juist
b)
onjuist
21.

Bij . . . . . . hebben de dochtercellen evenveel chromosomen als de moedercel.

(a)  

22.

Bij de mens is de oogkleur een erfelijke eigenschap.

Bevatten de chromosomen in de cellen van je ogen de informatie voor je oogkleur?

a)

ja

b)

nee

23.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

24.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

25.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

26.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

27.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

28.

Bij een mutatie zijn een of meerdere genen veranderd of gemuteerd

a)

waar

b)

niet waar

29.

een dominant homozygoot genenpaar schrijven we als

(a)  

30.

De begrenzing van het hoofdhaar bij het voorhoofd kan in een rechte lijn lopen of in een punt naar voren. Deze eigenschap is erfelijk bepaald. Bij een vrouw groeit het hoofdhaar in een punt naar voren. Ze is voor deze eigenschap heterozygoot (Aa). Ze krijgt een kind van een man bij wie het hoofdhaar in een rechte lijn groeit, hij is homozygoot (aa).

Hoe groot is de kans dat het haar bij het kind in een rechte lijn groeit?

a)

100%

b)

75%

c)

50%

d)

25%

31.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

32.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

33.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

34.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
35.

Welke wetenschapper wordt geassocieerd met de theorie van natuurlijke selectie?

a)

Gregor Mendel

b)

Charles Darwin

c)

Louis Pasteur

d)

James Watson

36.

Waarom zijn mensen tegen genetische modificatie?

4 lines
37.

Een vrouw is zwanger en ze wil weten of haar ongeboren kind het syndroom van Down heeft. Hoe kan ze daar achter komen?

a)

Door een echo te laten maken.

b)

Door een vlokkentest te laten doen.

c)

Door een vruchtwaterpunctie te laten doen.

d)

Dit kun je pas zien na de geboorte.

38.

Welke genotype hebben Luuk en Timo?

(a)  

39.

Sterre ligt in de zon. Door de UV-straling van de zon heeft er in een cel van haar arm een mutatie plaatsgevonden. Kan zij deze mutatie doorgeven aan haar nakomelingen? Leg uit.

4 lines
40.

Een allel is:

a)

Wanneer een persoon blauwe ogen heeft.

b)

Wanneer een persoon bruine ogen heeft.

c)

Een variant van een gen.

d)

Een variant van rode en witte bloemen.

41.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
42.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
43.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
44.
Hoe wordt het genoemd al allen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om mee te fokken?
a)
Kunstmatigselectie 
b)
Veredeling
c)
Ongeslachtelijke voortplanting 
45.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

46.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

47.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

48.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

49.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
50.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

51.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

52.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
53.

Hoeveel chromosomen bevat de kern van de zaadcel van een man?

(a)  

54.

Bij . . . . . . hebben de dochtercellen evenveel chromosomen als de moedercel.

(a)  

55.

Is een fenotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

56.

Is een genotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

57.

Liz en Elise zijn identieke tweelingen. Zijn hun genotypen gelijk?

a)

ja

b)

nee

58.

Wat bepaalt het geslacht van een baby?

a)

de geslachtschromosoom in de spermacel

b)

de geslachtschromosoom in de eicel

59.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

60.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

61.

Vachtkleur, oogkleur, groene bladeren en sproeten zijn voorbeelden van

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Milieu

62.

Wanneer de vader het genotype Bb en de moeder het genotype BB bevat geef je dat als volgt weer

a)
b)
c)
d)