wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kader periode 1

Total questions: 63

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
2.

een massa van 50 Kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

3.

Wat is de eenheid van zwaartekracht?

a)

Gram

b)

Kilogram

c)

m/s

d)

Newton

4.

Wat is een ander woord voor een vector?

a)

Snelheid

b)

Een pijl

c)

Newton

d)

Versnelling

5.

Welke verandering is er op getreden op het cola blikje?

a)

Verandering van gewicht

b)

Verandering van vorm

c)

Verandering van kleur

d)

Verandering van massa

6.

Een kracht is zichtbaar.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Wat is het symbool voor kracht?

a)

F

b)

N

c)

K

d)

S

8.

Welke kracht wordt afgebeeld op deze tekening?

a)

Zwaartekracht

b)

Duwkracht

c)

Trekkracht

d)

Wrijvingskracht

9.

Welke kracht zorgt ervoor dat een parachute de val vertraagt?

a)

Duwkracht

b)

Zwaartekracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Trekkracht

10.

Als 1 cm overeenkomt met 8 N, hoe groot is dan de pijl voor een kracht van 96 N?

a)

12 cm

b)

6 cm

c)

14 cm

d)

8 cm

11.

Welke krachten werken er op deze bergbeklimmer?

a)

zwaartekracht en spierkracht

b)

zwaartekracht en spankracht

c)

veerkracht en spierkracht

d)

spankracht en spierkracht

12.

Een groot gezin is aan het touwtrekken. Vader en moeder trekken samen met in totaal 420 Newton naar rechts. De kinderen trekken allemaal even hard. Hoe hard moet elk kind minimaal trekken om het touw op zijn plek te houden?

a)

1680 Newton

b)

420 Newton

c)

105 Newton

d)

52,5 Newton

13.

Op een gewichtje werkt een zwaartekracht van 1250 Newton. Wat is de massa van dat gewichtje?

a)

1,25 Kg

b)

125 Kg

c)

1,25 g

d)

125 g

14.

Welke kracht zorgt ervoor dat regendruppels naar beneden vallen?

a)

Trekkracht

b)

Duwkracht

c)

Wrijvingskracht

d)

Zwaartekracht

15.

Welke kracht zorgt voor het vervormen van de spons?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

16.

Welke kracht herken je in onderstaande beschrijving?


Knipperen met je ogen

a)

wrijvingskracht

b)

elektrostatische kracht

c)

gewicht

d)

zwaartekracht

e)

spierkracht

17.

Je komt omhoog als je springt door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

18.
Jan en Piet duwen een auto. Jan heeft een duwkracht van 300N en Piet van 250NWat is de netto kracht
a)
500N
b)
550N
c)
50N
d)
300N
19.
wat is een takel?
a)
een vaste katrol aan het plafond
b)
een losse katrol aan de last
c)
een combinatie bestaande uit een vaste en een losse katrol
d)
een combinatie bestaande uit ten minste een losse en ten,minste een vaste katrol
20.
een doos van 25kg wordt met behulp van een vaste katrol gehesen. Hoe groot moet de minimale hijskracht zijn?
a)
25kg
b)
25N
c)
250kg
d)
250N
21.

Wat is het symbool van en de eenheid van stroomsterkte?

a)

Stroomsterkte (I) in Ampère (A)

b)

Stroomsterkte (V) in Ampère (A)

c)

Stroomsterkte (R) in Volt(V)

d)

Stroomsterkte (I) in Seconde(s)

22.

als je lampje 1 losdraait....

a)

gaat lampje 2 uit

b)

blijft lampje 2 aan

23.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Ohm
d)
Volt
24.

Welke stof is GEEN geleider?

a)

Ijzer

b)

Koolstof

c)

Koper

d)

Plastic

25.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
26.

welke van de 4 opties is een geleider?

a)

Koper

b)

plastic

c)

rubber

d)

Hout

27.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

28.

What does LDR stand for?

a)

Light dependent resistor

b)

Light emitting diode

c)

Light emitter resistor

d)

Light diode resistor

29.

De spanning over een weerstandje is 12V en de stroom erdoor is 0,2A. Wat is de waarde van dit weerstandje?

a)

2,4 Ω

b)

24 Ω

c)

6 Ω

d)

60 Ω

30.

Bekijk het schakelschema in de afbeelding. Wat voor meters staan er in nummer 1 en nummer 2?

a)

1 is ampèremeter, 2 is voltmeter

b)

1 is voltmeter, 2 is ampèremeter

c)

het zijn beide voltmeters

d)

het zijn beide ampèremeters

31.

Wat betekent dit symbool?

a)

lampje

b)

led

c)

bel

d)

motor

32.

De weerstand van een LDR is afhankelijk van:

a)

Licht

b)

Temperatuur

c)

Spanning

d)

Stroom

33.

Op de meeste wandcontactdozen staat een spanning van ?

a)

12V

b)

16A

c)

220V

d)

230V

34.

Een transistor heeft drie connectoren. Welke optie is juist:

a)

1 = collector, 2 = emitter & 3 = basis

b)

1 = collector, 2 = basis & 3 = emitter

c)

1 = emitter, 2 = basis & 3 = collector

d)

1 = basis, 2 = collector & 3 = emitter

e)

1 = basis, 2 = emitter & 3 = collector

35.

Wanneer wordt een spoel van koper magnetisch?

a)

Als er een elektrische stroom doorheen loopt

b)

Als je deze verhit tot boven het Curie-punt

c)

Als je deze laat trillen

d)

als je er een magneet tegenaan houdt

36.

Bereken hoe groot de weerstand is.

a)

15 Ω15\ \Omega

b)

10 Ω10\ \Omega

c)

4 Ω4\ \Omega

d)

12 Ω12\ \Omega

37.

Wat is dit?

a)

Spanningsmeter

b)

Stroommeter

c)

Motor (Vroeeeem)

d)

Vergeten

38.

Wat is dit schakelsymbool?

a)

Batterij

b)

Weerstand

c)

Schakelaar (dicht)

d)

Schakelaar (open)

39.

Karel bouwt de schakeling die hierboven is weergegeven. De schakeling bevat een spanningsbron, een schakelaar, een lampje en een condensator. Karel sluit de schakelaar enige tijd. Daarna zet hij de schakelaar weer open. Wat gebeurt er als Karel de schakelaar weer openzet?

a)

de condensator gaat kapot

b)

het lampje blijft gewoon branden

c)

het lampje gaat na enige tijd uit

d)

het lampje gaat onmiddellijk uit

40.

In een parallelschakeling heeft elk apparaat zijn eigen stroomkring.

a)

waar

b)

niet waar

41.

Weerstand meet je met een ohmmeter of met een multimeter.

a)

waar

b)

niet waar

42.

Welk schakelonderdeel kun je in een thermometer als sensor gebruiken?

a)

een diode

b)

een LDR

c)

een NTC

d)

een relais

43.

Wat stelt onderstaand symbool voor?

a)

Gesloten schakelaar

b)

Draad

c)

Streep

d)

Zekering

44.

Wat stelt onderstaand symbool voor?

a)

Batterij

b)

Condensator

c)

Stopcontact

d)

Losse draden

45.

kilowattuur is een eenheid van

a)

energie

b)

vermogen

c)

elektriciteit

d)

spanning

46.

Het symbool voor massa is:

a)

N

b)

m

c)

M

d)

Kg

47.

Welke van de onderstaande formules is de formule van de zwaartekracht?

a)

F = p . A

b)

F = m . p

c)

F = p . A

d)

F = m . g

48.

Je kan de druk vergroten door....

a)

het oppervlakte te vergroten

b)

het oppervlakte te verkleinen

c)

de kracht te verkleinen

49.

De eenheid van druk (p) is ....

a)

Liter/m2

b)

Pa

c)

°C

d)

Newton

50.

Wat is het symbool voor druk?

a)

Pa

b)

N/m2

c)

P

d)

F

51.

3. Welke van de onderstaande formules is de formule voor druk ?

a)

p = m / a

b)

p = F / a

c)

p = F / A

d)

p = m / A

52.

De eenheid van A is

a)

Pa

b)

N

c)

m2

d)

N/m2

53.

Vier identieke blokken worden op drie manieren gestapeld.

Bij welke opstelling is de totale massa het grootste?

a)

Opstelling A

b)

Opstelling B

c)

Opstelling C

d)

De totale massa is bij elke opstelling gelijk.

54.

Vier identieke blokken worden op drie manieren gestapeld.

Bij welke opstelling is het (contact)oppervlak het grootste?

a)

Opstelling A

b)

Opstelling B

c)

Opstelling C

d)

Het (contact)oppervlak is bij elke opstelling gelijk.

55.

Eenzelfde baksteen wordt op twee manieren op een spons gelegd.

Welke opstelling zorgt voor het meeste druk?

a)

Opstelling A

b)

Opstelling B

c)

Het is dezelfde baksteen, dus de druk is bij beide opstellingen gelijk.

56.

Wat voor krachten werken in de ligger?

a)

Alleen trekkrachten

b)

Alleen drukkrachten

c)

Zowel druk-, en trekkrachten

d)

Geen druk-, en trekkrachten

57.
Luuk tilt met deze takel een voorwerp van 50 kg op. Hoe groot is de benodigde kracht?
a)
490 N
b)

250 N

c)
980 N
d)
2,6 N
58.
Hoe heet de kracht die de zwaartekracht tegenwerkt bij een voorwerp dat stil ligt?
a)
Zwaartekracht
b)
Normaalkracht
c)
Nettokracht
d)
Krachtmoment
59.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
60.

de eenheid van kracht is

a)

Newton

b)

Joule

c)

Kelvin

d)

Tesla

61.

Kijk goed.

Is dit een hefboom of niet?

Klik op het juiste antwoord.

a)
b)
62.

Een steen valt op de grond door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

63.

Een elastiekje wil terug naar z'n oorspronkelijke vorm door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht