wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

MH1 Thema 1 begrippen

Total questions: 44

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Welke levenskenmerken horen bij stoffen opnemen en afgeven aan de omgeving?

a)

Ademhalen

b)

Voeden

c)

Uitscheiden

d)

Waarnemen

e)

Voortplanten

2.

Welke levenskenmerken horen bij reageren op de omgeving?

a)

Bewegen

b)

Groeien

c)

Uitscheiden

d)

Waarnemen

e)

Voortplanten

3.

Welke levenskenmerken horen bij voortbestaan?

a)

Bewegen

b)

Groeien

c)

Uitscheiden

d)

Waarnemen

e)

Voortplanten

4.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Als een organisme geen levenskernmerken meer heeft.

(a)  

5.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Als iets geen levenskernmerken heeft gehad.

(a)  

6.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Stoffen die nodig zijn voor groei en ontwikkeling.

(a)  

7.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Een stof die veel energie bevat en wordt gemaakt door planten.

(a)  

8.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Het proces waarbij een plant glucose maakt met behulp van energie uit licht.

(a)  

9.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Een levend wezen.

(a)  

10.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Een organisme heeft levenskenmerken, dus het is (a)   ?

11.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Het groter en zwaarder worden van een organisme.

(a)  

12.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Veranderingen in de bouw van een organisme.

(a)  

13.

Wat is de functie van de zaadhuid?

a)

Het zaad beschermen.

b)

Water opnemen tijdens de kieming.

c)

Hierin zit reservevoedsel opgeslagen.

d)

Hiermee heeft het zaad vast gezeten aan de moeder plant.

14.

Wat is de functie van het poortje?

a)

Het zaad beschermen.

b)

Water opnemen tijdens de kieming.

c)

Hierin zit reservevoedsel opgeslagen.

d)

Hiermee heeft het zaad vast gezeten aan de moeder plant.

15.

Wat is de functie van de zaadlobben?

a)

Het zaad beschermen.

b)

Water opnemen tijdens de kieming.

c)

Hierin zit reservevoedsel opgeslagen.

d)

Hiermee heeft het zaad vast gezeten aan de moeder plant.

16.

Wat is de functie van de navel?

a)

Het zaad beschermen.

b)

Water opnemen tijdens de kieming.

c)

Hierin zit reservevoedsel opgeslagen.

d)

Hiermee heeft het zaad vast gezeten aan de moeder plant.

17.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
De verandering in lichaamsbouw noem je (a)   ontwikkeling.

18.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
De ontwikkeling van het verstand, het gevoelsleven en de persoonlijkheid, noem je (a)   ontwikkeling.

19.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Een lichaamsvorm waarbij de kop, romp en staart geleidelijk in elkaar over gaan.

(a)  

20.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Als een plant teveel water verliest en hierdoor door kan gaan.

(a)  

21.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving?
Het leren van bepaalde bewegingen, noem je (a)   ontwikkeling.

22.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand gaat in een studentenhuis wonen.

(a)  

23.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand krijgt borsten

(a)  

24.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand leert fietsen.

(a)  

25.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand leert zijn handen gebruiken.

(a)  

26.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand leert lezen.

(a)  

27.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand leert praten.

(a)  

28.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand leert lopen met een rollator.

(a)  

29.

In welke fase vindt de volgende gebeurtenis plaats?

Iemand wordt zwanger.

(a)  

30.

Welke stoffen heeft een plant nodig om aan fotosynthese te doen?

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Energie uit zonlicht

d)

Zuurstof

e)

Glucose

31.

Welke stoffen maakt een plant bij fotosynthese?

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Energie uit zonlicht

d)

Zuurstof

e)

Glucose

32.

Welke eigenschappen hebben planten die in het water leven?

a)

Slappe stengels

b)

Groeien in de bovenste laag van het water

c)

Wortels zitten in de grond onderwater

d)

Wortels zitten boven het water

e)

Stevige stengels

33.

Welke aanpassingen hebben landplanten tegen uitdroging?

a)

Kleine en dikke bladeren

b)

Grote en platte bladeren

c)

Veel wortels

d)

Weinig wortels

34.

Welke aanpassingen hebben landplanten in een vochtige omgeving?

a)

Kleine en dikke bladeren

b)

Grote en platte bladeren

c)

Veel wortels

d)

Weinig wortels

35.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

De (a)   is geschikt om zaden te eten. Een korte snavel voor veel kracht.

36.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

De (a)   is puntig. De vogel kan goed insecten vangen.

37.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

De (a)   is geschikt om prooidieren in stukken te scheuren. Roofvogels en uilen hebben deze scherpe snavel.

38.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

De (a)   is geschikt voor diep in natte bodem te prikken naar bodemdiertjes.

39.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

De (a)   komt voor bij watervogels. Ze nemen water op en persen het naar buiten via de zeef. Ze eten er plankton mee.

40.

Welke vorm van voortbewegen wordt weergeven in de afbeelding?

a)

Zoolganger

b)

Teenganger

c)

Topganger

41.

Welke vorm van voortbewegen wordt weergeven in de afbeelding?

a)

Zoolganger

b)

Teenganger

c)

Topganger

42.

Welke vorm van voortbewegen wordt weergeven in de afbeelding?

a)

Zoolganger

b)

Teenganger

c)

Topganger

43.

Welke drie vormen van verdediging gebruiken planten?

a)

Stekels

b)

Brandharen

c)

Gifstoffen

d)

Schutkleur

e)

Schild

44.

Welke drie vormen van verdediging gebruiken dieren?

a)

Stekels

b)

Brandharen

c)

Gifstoffen

d)

Schutkleur

e)

Schild