Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4: Wat is een rechtsstaat? 99 vragen

Total questions: 99

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Regels zijn belangrijk voor burgers omdat:

a)

ze zorgen voor orde en veiligheid in de samenleving.

b)

iedereen dan altijd zijn zin krijgt.

c)

ze het moeilijker maken om samen te leven.

d)

ze alleen voor de overheid gelden.

2.

Het is belangrijk dat er ook regels voor de overheid zijn, omdat:

a)

de overheid anders te veel macht kan krijgen.

b)

burgers dan geen rechten meer hebben.

c)

de overheid dan geen wetten hoeft te volgen.

d)

er anders geen verkiezingen zijn.

3.

Het belang van de overheid bij het bestaan van rechtsnormen is:

a)

Het handhaven van orde en veiligheid in de samenleving.

b)

Het vergroten van de macht van burgers.

c)

Het stimuleren van economische ongelijkheid.

d)

Het beperken van internationale samenwerking.

4.

Burgers hebben belang bij het bestaan van rechtsnormen omdat:

a)

rechtsnormen zorgen voor orde en bescherming in de samenleving.

b)

rechtsnormen maken het leven moeilijker voor burgers.

c)

rechtsnormen zijn alleen belangrijk voor de overheid.

d)

rechtsnormen hebben geen invloed op het dagelijks leven van burgers.

5.

Wat kan er gebeuren als rechtsnormen niet overeenstemmen met de opvattingen van burgers over goed en kwaad?

a)

Er kan onvrede of verzet onder burgers ontstaan.

b)

De rechtsnormen worden automatisch aangepast.

c)

Iedereen volgt de rechtsnormen zonder problemen.

d)

Het rechtvaardigheidsgevoel van burgers wordt sterker.

6.

In rechtszaken die te maken hebben met het publiekrecht, staan de volgende partijen tegenover elkaar:

a)

De overheid en burgers/bedrijven

b)

Twee bedrijven

c)

Twee burgers

d)

De rechter en de overheid

7.

Het strafrecht behoort tot het publiekrecht omdat:

a)

het de verhouding tussen overheid en burgers regelt.

b)

het alleen over privézaken tussen burgers gaat.

c)

het uitsluitend door burgers wordt toegepast.

d)

het geen invloed heeft op de samenleving.

8.

Een rechtspersoon is:

a)

een organisatie die als zelfstandig juridisch persoon kan handelen

b)

een natuurlijk persoon met rechten en plichten

c)

een groep mensen zonder juridische status

d)

een contract tussen twee partijen

9.

Een rechtsstaat is een staat waarin:

a)

de rechten van burgers worden beschermd door wetten en de overheid zich aan die wetten moet houden.

b)

de koning alle macht heeft en wetten kan negeren.

c)

alleen de rijken rechten hebben en de armen niet.

d)

de overheid boven de wet staat en alles kan bepalen.

10.

Een rechtsstaat beschermt tegen machtsmisbruik door:

a)

het garanderen van grondrechten en onafhankelijke rechtspraak.

b)

het geven van absolute macht aan de regering.

c)

het beperken van burgerrechten zonder controle.

d)

het toestaan van willekeurige arrestaties.

11.

Wat wordt bedoeld met 'rechtshandhaving'?

a)

Het handhaven en uitvoeren van wetten en regels door de overheid.

b)

Het maken van nieuwe wetten door de overheid.

c)

Het geven van juridisch advies aan burgers.

d)

Het oplossen van conflicten tussen bedrijven.

12.

Wat wordt bedoeld met het begrip 'rechtsbescherming'?

a)

De bescherming van burgers tegen onrechtmatig overheidsoptreden.

b)

Het recht om altijd gelijk te krijgen bij de rechter.

c)

De plicht van de overheid om wetten te maken.

d)

Het recht van de overheid om burgers te straffen.

13.

Rechtshandhaving en rechtsbescherming kunnen op gespannen voet met elkaar staan omdat:

a)

het handhaven van wetten soms kan botsen met het beschermen van individuele rechten.

b)

ze altijd volledig met elkaar in overeenstemming zijn.

c)

rechtshandhaving geen invloed heeft op rechtsbescherming.

d)

rechtsbescherming alleen belangrijk is bij civiele zaken.

14.

Wat wordt bedoeld met de zin: 'De beheersing van het overheidsgezag is de kern van de rechtsstaat', als je kijkt naar de begrippen 'rechtshandhaving' en 'rechtsbescherming'?

a)

Dat de overheid zich aan het recht moet houden en burgers beschermd worden tegen machtsmisbruik.

b)

Dat de overheid altijd gelijk heeft en burgers geen bescherming nodig hebben.

c)

Dat alleen burgers zich aan het recht moeten houden, niet de overheid.

d)

Dat rechtshandhaving en rechtsbescherming alleen voor de overheid gelden.

15.

Het geweldsmonopolie in onze rechtsstaat betekent dat alleen de overheid het recht heeft om geweld te gebruiken.

a)

Alleen de overheid mag geweld gebruiken om orde te handhaven.

b)

Iedereen mag geweld gebruiken als het nodig is.

c)

Burgers mogen altijd geweld gebruiken tegen de overheid.

d)

De politie mag nooit geweld gebruiken.

16.

Het geweldsmonopolie van de overheid is een garantie voor een rechtsstaat.

a)

Nee, het geweldsmonopolie alleen is geen garantie voor een rechtsstaat.

b)

Ja, het geweldsmonopolie garandeert altijd een rechtsstaat.

c)

Alleen als de overheid geen geweld gebruikt, is er een rechtsstaat.

d)

Het geweldsmonopolie is alleen belangrijk in een dictatuur.

17.

Wat is fundamenteel voor een rechtsstaat?

a)

Rechtshandhaving

b)

Rechtsbescherming

c)

Belastingheffing

d)

Economische groei

18.

Vergeleken met een rechtsstaat vindt de overheid in een dictatuur ... belangrijker, omdat ...

a)

rechtshandhaving

b)

rechtsbescherming

c)

vrijheid van meningsuiting

d)

scheiding der machten

19.

In een autoritaire staat of dictatuur worden de grondrechten van burgers vaak geschonden, zelfs als er een grondwet is. Hoe kan dat?

a)

Omdat de machthebbers zich niet aan de grondwet houden.

b)

Omdat burgers geen grondrechten hebben in een dictatuur.

c)

Omdat de grondwet in een dictatuur altijd perfect wordt nageleefd.

d)

Omdat de grondwet in een dictatuur geen enkele waarde heeft.

20.

Het doel van een rechtsstaat is:

a)

Het beschermen van de rechten van burgers.

b)

Het vergroten van de macht van de overheid.

c)

Het beperken van de vrijheid van meningsuiting.

d)

Het bevorderen van willekeurige straffen.

21.

Nederland is een rechtsstaat omdat:

a)

de macht van de overheid wordt beperkt door wetten en grondrechten.

b)

de koning alle macht heeft.

c)

er geen onafhankelijke rechters zijn.

d)

de overheid geen wetten hoeft te volgen.

22.

In de Grondwet van Nederland staan twee belangrijke zaken. Welke zijn dat?

a)

De grondrechten van burgers en de organisatie van de overheid

b)

De hoogte van belastingen en de nationale feestdagen

c)

De namen van alle ministers en de hoofdstad van Nederland

d)

De regels voor verkeersveiligheid en milieubescherming

23.

De Grondwet en de rechtsstaat zijn met elkaar verbonden omdat:

a)

de Grondwet de basis vormt voor de rechtsstaat.

b)

de rechtsstaat bepaalt wat er in de Grondwet staat.

c)

de Grondwet alleen geldt in een dictatuur.

d)

de rechtsstaat geen wetten nodig heeft.

24.

Nederland is ondanks de grote macht van de overheid een rechtsstaat omdat:

a)

de macht van de overheid wordt beperkt door wetten en onafhankelijke rechters.

b)

de overheid altijd gelijk heeft.

c)

de burgers geen rechten hebben.

d)

de overheid geen wetten hoeft te volgen.

25.

De macht van de overheid in Nederland heeft invloed op de vrijheid van burgers. Wat is het gevolg als de overheid te veel macht heeft?

a)

De vrijheid van burgers kan worden beperkt.

b)

Burgers krijgen meer rechten.

c)

De overheid wordt minder belangrijk.

d)

Burgers hebben volledige vrijheid.

26.

De trias politica bestaat uit drie delen. Welke zijn dit?

a)

Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht

b)

Wetgevende, adviserende en controlerende macht

c)

Uitvoerende, adviserende en controlerende macht

d)

Rechterlijke, adviserende en controlerende macht

27.

In een dictatuur is er sprake van een trias politica.

a)

Nee, want de macht is meestal in handen van één persoon of een kleine groep.

b)

Ja, want de machten zijn strikt gescheiden.

c)

Ja, want iedereen heeft gelijke rechten.

d)

Nee, want de rechterlijke macht is onafhankelijk.

28.

De trias politica is een belangrijk uitgangspunt in een democratie omdat:

a)

het de macht verdeelt om machtsmisbruik te voorkomen.

b)

het zorgt dat één persoon alle macht heeft.

c)

het alleen de regering macht geeft.

d)

het parlement geen invloed heeft op de regering.

29.

De trias politica is een belangrijk uitgangspunt in een rechtsstaat omdat:

a)

de macht wordt verdeeld en gecontroleerd door het systeem van ‘checks and balances’.

b)

alle macht bij één persoon ligt.

c)

wetten alleen door de regering worden gemaakt.

d)

de rechterlijke macht de enige macht is.

30.

Op welke twee manieren worden de mensenrechten van burgers in Nederland beschermd?

a)

Door de grondwet en internationale verdragen.

b)

Door alleen de politie.

c)

Door belastingheffing en subsidies.

d)

Door gemeentelijke verordeningen.

31.

Een rechter moet onafhankelijk zijn omdat:

a)

Hij dan eerlijk kan oordelen en niet wordt beïnvloed door anderen.

b)

Hij dan sneller kan werken en meer zaken kan behandelen.

c)

Hij dan meer macht krijgt over de wet.

d)

Hij dan geen opleiding nodig heeft.

32.

Op welke twee manieren wordt de onafhankelijkheid van rechters gewaarborgd?

a)

Door benoeming voor het leven en onschendbaarheid

b)

Door jaarlijkse verkiezingen en politieke benoeming

c)

Door tijdelijke aanstelling en directe controle door de regering

d)

Door verplichte partijlidmaatschap en jaarlijkse evaluatie

33.

Welke van de volgende zijn voorbeelden van grondrechten die een rechtsstaat probeert te garanderen?

a)

Vrijheid van meningsuiting en recht op privacy

b)

Verplichte militaire dienst en belastingplicht

c)

Leerplicht en verkeersregels

d)

Stemrecht en rijbewijs

34.

Welke van de volgende opties zijn voorbeelden van sociale grondrechten?

a)

Het recht op onderwijs en het recht op huisvesting

b)

Het recht op vrije meningsuiting en het recht op privacy

c)

Het recht op eigendom en het recht op een eerlijk proces

d)

Het recht op vereniging en het recht op demonstratie

35.

Wat is het belangrijkste verschil tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten?

a)

Klassieke grondrechten beschermen burgers tegen de overheid, sociale grondrechten verplichten de overheid om voor burgers te zorgen.

b)

Klassieke grondrechten verplichten de overheid om voor burgers te zorgen, sociale grondrechten beschermen burgers tegen de overheid.

c)

Klassieke grondrechten zijn alleen van toepassing op kinderen, sociale grondrechten op volwassenen.

d)

Klassieke grondrechten gaan over onderwijs, sociale grondrechten over vrijheid van meningsuiting.

36.

Burgers kunnen het volgende doen als de overheid volgens hen een klassiek grondrecht schendt:

a)

Een klacht indienen bij de rechter

b)

Een petitie starten bij de overheid

c)

Een brief sturen naar de burgemeester

d)

Een protest organiseren op straat

37.

Welke twee verzwaarde eisen gelden bij de stemming over een grondwetsverandering?

a)

Er is een tweederdemeerderheid nodig en de stemming moet in twee lezingen plaatsvinden.

b)

De stemming moet geheim zijn en er is een absolute meerderheid nodig.

c)

Er mogen alleen leden van de Eerste Kamer stemmen en de stemming moet schriftelijk zijn.

d)

De stemming moet unaniem zijn en er is een minimumleeftijd voor stemmers.

38.

Het legaliteitsbeginsel in onze rechtsstaat betekent dat:

a)

de overheid alleen mag handelen op basis van de wet.

b)

iedereen altijd vrij is om te doen wat hij wil.

c)

de rechter altijd gelijk heeft.

d)

wetten niet voor iedereen gelden.

39.

De overheid moet zich aan het legaliteitsbeginsel houden bij de bestraffing van crimineel gedrag omdat:

a)

de overheid alleen mag straffen als dat in de wet staat.

b)

de overheid dan meer macht krijgt over burgers.

c)

de overheid sneller kan optreden tegen criminaliteit.

d)

de overheid zelf wetten kan maken tijdens een rechtszaak.

40.

Het legaliteitsbeginsel zorgt voor rechtszekerheid omdat:

a)

wetten vooraf duidelijk zijn en burgers weten waar ze aan toe zijn.

b)

de overheid altijd gelijk heeft.

c)

rechters zelf wetten mogen maken.

d)

iedereen altijd straf krijgt.

41.

Zwartrijden is in de wet aangeduid als overtreding omdat:

a)

het een minder ernstig strafbaar feit is dan een misdrijf.

b)

het altijd leidt tot gevangenisstraf.

c)

het de openbare orde ernstig verstoort.

d)

het alleen door minderjarigen wordt gepleegd.

42.

De officier van justitie mag beslissen of er een rechtszaak tegen een verdachte komt, omdat ...

a)

WEL, omdat de officier van justitie beslist of er voldoende bewijs is om een zaak voor de rechter te brengen.

b)

NIET, omdat alleen de politie mag beslissen over een rechtszaak.

c)

NIET, omdat de verdachte altijd zelf mag kiezen of hij voor de rechter komt.

d)

WEL, omdat de rechter altijd de uiteindelijke beslissing neemt.

43.

Waarom mag de politie een verdachte fouilleren zonder toestemming van de officier van justitie, maar moet de officier wel toestemming geven voor preventief fouilleren?

a)

Omdat fouilleren van een verdachte direct verband houdt met een strafbaar feit, terwijl preventief fouilleren bedoeld is om misdrijven te voorkomen.

b)

Omdat de politie altijd toestemming nodig heeft voor elke vorm van fouilleren.

c)

Omdat preventief fouilleren alleen mag bij minderjarigen.

d)

Omdat de officier van justitie nooit toestemming geeft voor fouilleren.

44.

Welke twee opsporingsbevoegdheden heeft de politie toestemming voor nodig?

a)

Inbreken in een woning en het afluisteren van telefoongesprekken

b)

Het geven van verkeersboetes en het surveilleren op straat

c)

Het controleren van identiteitsbewijzen en het schrijven van rapporten

d)

Het patrouilleren in parken en het geven van voorlichting

45.

Ben je verplicht een agent de sleutel van je schuur te geven als hij vermoedt dat er een gestolen fiets staat?

a)

Nee, alleen met een huiszoekingsbevel.

b)

Ja, altijd als een agent het vraagt.

c)

Ja, als de agent zegt dat hij iets vermoedt.

d)

Nee, tenzij de agent in uniform is.

46.

Na negen uur in de cel te hebben gezeten op het politiebureau wegens verdenking van diefstal met geweld, wat moet er dan gebeuren?

a)

De verdachte moet worden voorgeleid aan de rechter-commissaris.

b)

De verdachte wordt automatisch vrijgelaten.

c)

De verdachte krijgt een boete opgelegd.

d)

De verdachte wordt overgebracht naar de gevangenis.

47.

Preventief fouilleren betekent dat de politie mensen mag controleren op wapens zonder dat er sprake is van een concrete verdenking. Wat houdt preventief fouilleren in?

a)

Het controleren van mensen op wapens zonder concrete verdenking.

b)

Het arresteren van mensen zonder reden.

c)

Het doorzoeken van huizen zonder toestemming.

d)

Het controleren van voertuigen op snelheid.

48.

Het doel van een burgemeester om preventief fouilleren toe te staan is:

a)

het vergroten van de veiligheid door wapens op te sporen

b)

het verhogen van de belastinginkomsten

c)

het stimuleren van toerisme

d)

het verbeteren van het openbaar vervoer

49.

Infiltreren door de politie is een omstreden middel in een rechtsstaat omdat het de rechtsbescherming van burgers kan aantasten.

a)

Omdat het de rechtsbescherming van burgers kan aantasten.

b)

Omdat het altijd legaal is zonder toezicht.

c)

Omdat het geen invloed heeft op de rechten van burgers.

d)

Omdat het alleen bij kleine misdrijven wordt ingezet.

50.

Welke taken heeft de officier van justitie bij de rechtbank? Kies twee juiste antwoorden.

a)

Het leiden van de rechtszitting en het uitspreken van het vonnis.

b)

Het onderzoeken van strafbare feiten en het eisen van een straf.

c)

Het verdedigen van de verdachte en het geven van juridisch advies.

d)

Het vertegenwoordigen van het Openbaar Ministerie en het eisen van een straf.

51.

De officier werkt voor de wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht.

a)

Wetgevende macht

b)

Uitvoerende macht

c)

Rechterlijke macht

d)

Gemeentelijke macht

52.

Een transactie houdt in dat:

a)

de verdachte een geldbedrag betaalt om vervolging te voorkomen.

b)

de officier van justitie de zaak seponeren.

c)

de verdachte een strafbeschikking krijgt opgelegd.

d)

de verdachte wordt vervolgd door de officier van justitie.

53.

Welke van de volgende zijn redenen waarom de officier van justitie kan besluiten tot seponeren?

a)

Onvoldoende bewijs en geringe ernst van het feit

b)

Persoonlijke voorkeur van de officier en populariteit van de verdachte

c)

Tijdgebrek bij het Openbaar Ministerie en druk van de media

d)

Willekeurige selectie en onbekendheid met de zaak

54.

Een officier van justitie zal bij een moordzaak besluiten te wachten met vervolgen als er weinig bewijs is omdat:

a)

hij wil eerst meer bewijs verzamelen voordat hij vervolgt.

b)

hij wil de verdachte beschermen.

c)

hij heeft geen interesse in de zaak.

d)

hij mag nooit vervolgen bij moordzaken.

55.

Een strafbeschikking is:

a)

een beslissing van de officier van justitie waarbij een straf wordt opgelegd zonder tussenkomst van de rechter

b)

een voorstel van de officier van justitie om een geldboete te betalen om vervolging te voorkomen

c)

een uitspraak van de rechter na een rechtszaak

d)

een verzoek van de verdachte om de zaak buiten de rechter om te regelen

56.

Een strafbeschikking is eigenlijk niet in de geest van de trias politica omdat:

a)

de uitvoerende macht een rechterlijke taak op zich neemt.

b)

de rechterlijke macht altijd de straf bepaalt.

c)

de wetgevende macht direct straffen oplegt.

d)

de trias politica alleen in theorie bestaat.

57.

Wat houdt het onschuldvermoeden in onze rechtsstaat in?

a)

Dat iemand onschuldig is totdat zijn schuld is bewezen.

b)

Dat iedereen altijd schuldig is.

c)

Dat alleen rijke mensen onschuldig zijn.

d)

Dat de politie altijd gelijk heeft.

58.

Met welke theorie kan het gedrag van een uitkeringsgerechtigde die naast een uitkering zwartwerk verricht het beste verklaard worden?

a)

Met de anomietheorie

b)

Met de leertheorie

c)

Met de bindingstheorie

d)

Met de etiketteringstheorie

59.

Volgens de sociobiologische theorieën in de criminologie en psychologie, voor welk beleid kan de overheid het beste kiezen om criminaliteit te verminderen?

a)

Voorkomen van criminaliteit

b)

Strenger straffen

c)

Meer surveillance

d)

Hogere boetes

60.

Uit het feit dat jongens crimineler zijn dan meisjes blijkt dat de sociobiologische theorie gelijk heeft. Wat is een juiste commentaar op deze stelling?

a)

De stelling is te kort door de bocht, omdat er ook andere factoren zijn die crimineel gedrag beïnvloeden.

b)

De stelling is volledig juist, want alleen biologische factoren bepalen crimineel gedrag.

c)

De stelling is onjuist, want meisjes zijn net zo crimineel als jongens.

d)

De stelling is juist, want sociobiologische theorie verklaart alle crimineel gedrag.

61.

Welke theorie over de oorzaken van crimineel gedrag past bij een boekhouder die zegt dat hij door zijn fraude zijn baan en vrienden is kwijtgeraakt en daarom nooit meer zoiets zal doen?

a)

Bindingstheorie

b)

Anomietheorie

c)

Rationele keuzetheorie

d)

Etiketteringstheorie

62.

De rationele-keuzetheorie in de criminologie en psychologie stelt dat:

a)

Mensen crimineel gedrag vertonen na een bewuste afweging van voor- en nadelen.

b)

Crimineel gedrag ontstaat door genetische aanleg.

c)

Crimineel gedrag is het gevolg van groepsdruk.

d)

Crimineel gedrag wordt veroorzaakt door een slechte opvoeding.

63.

De rationele-keuzetheorie in de criminologie en psychologie geeft vooral een verklaring voor welke soort criminaliteit?

a)

Georganiseerde misdaad

b)

Impulsieve geweldsdelicten

c)

Witteboordencriminaliteit

d)

Jeugdcriminaliteit

64.

Voor welke soorten criminaliteit biedt de rationele-keuzetheorie maar heel weinig houvast?

a)

Impulsieve en psychische criminaliteit

b)

Diefstal en inbraak

c)

Fraude en belastingontduiking

d)

Georganiseerde misdaad

65.

Volgens de bindingstheorie kunnen bindingen crimineel gedrag voorkomen. Wat zijn bindingen volgens deze theorie?

a)

Sociale relaties en verbondenheid met anderen die mensen weerhouden van crimineel gedrag.

b)

De mate van intelligentie die bepaalt of iemand crimineel gedrag vertoont.

c)

De hoeveelheid geld die iemand bezit en daardoor minder geneigd is tot criminaliteit.

d)

De fysieke kracht van een persoon die hem beschermt tegen crimineel gedrag.

66.

Bindingen kunnen crimineel gedrag voorkomen doordat:

a)

ze zorgen voor sociale controle en verantwoordelijkheid.

b)

ze moedigen mensen aan om regels te overtreden.

c)

ze maken het makkelijker om strafbare feiten te verbergen.

d)

ze verminderen het gevoel van verbondenheid met anderen.

67.

Volgens de zelfcontroletheorie in de criminologie en psychologie, wat is een verklaring voor het extreem agressieve gedrag van een jongen die zich bij ruzies niet kan beheersen?

a)

Hij heeft een laag niveau van zelfcontrole.

b)

Hij heeft een hoog IQ.

c)

Hij is sociaal zeer vaardig.

d)

Hij heeft een sterke motivatie om te presteren.

68.

Welke verklaring geeft de sociobiologische theorie voor crimineel gedrag?

a)

Crimineel gedrag ontstaat door genetische en biologische factoren.

b)

Crimineel gedrag wordt uitsluitend veroorzaakt door sociale invloeden.

c)

Crimineel gedrag is het gevolg van economische omstandigheden.

d)

Crimineel gedrag ontstaat door opvoeding en omgeving.

69.

Met welke theorie over de oorzaken van crimineel gedrag verklaart de moeder het criminele gedrag van haar zoon, wanneer zij zegt dat het misging nadat hij verkeerde vrienden koos?

a)

Differentiële associatietheorie

b)

Biologische theorie

c)

Rationele keuze theorie

d)

Anomietheorie

70.

Welke theorie over de oorzaken van crimineel gedrag verklaart het beste waarom jongeren drugsdealer worden om geld te verdienen voor dure kleding, sieraden, uitgaan en een patserige auto?

a)

Anomietheorie

b)

Etiketteringstheorie

c)

Biologische theorie

d)

Gelegenheidstheorie

71.

Veel jonge criminelen stoppen met hun duistere praktijken als ze vaste verkering krijgen en kiezen voor een gewone baan. Welke theorie over de oorzaken van crimineel gedrag verklaart het beste waarom ze dan stoppen met hun criminele activiteiten?

a)

Bindingstheorie

b)

Etiketteringstheorie

c)

Anomietheorie

d)

Differentiële associatietheorie

72.

Het lage oplossingspercentage van fietsdiefstallen in Nederland kan volgens welke theorie over crimineel gedrag worden verklaard?

a)

Anomietheorie

b)

Differentiële associatietheorie

c)

Etiketteringstheorie

d)

Controle theorie

73.

De visie dat criminaliteit kan worden voorkomen door jongeren een goede opleiding te geven en slechte buurten op te knappen, kan worden verklaard vanuit:

a)

het idee dat sociale omstandigheden invloed hebben op crimineel gedrag

b)

het idee dat criminaliteit aangeboren is

c)

het idee dat strenge straffen criminaliteit voorkomen

d)

het idee dat criminaliteit niet te voorkomen is

74.

Volgens welke theorieën over de oorzaken van crimineel gedrag schrikken zwaardere gevangenisstraffen mensen af om crimineel te worden?

a)

Rationele keuze theorie en klassieke school

b)

Biologische theorieën

c)

Sociologische theorieën

d)

Psychodynamische theorieën

75.

Volgens welke theorie over de oorzaken van crimineel gedrag kun je het bestaan van jongerenbendes het beste verklaren?

a)

De sociale controletheorie

b)

De biologische theorie

c)

De rationele keuzetheorie

d)

De labelingtheorie

76.

Een belangrijke overeenkomst tussen de aangeleerd-gedragtheorie en de zelfcontroletheorie is dat beide theorieën:

a)

uitgaan van het idee dat crimineel gedrag wordt aangeleerd.

b)

stellen dat criminaliteit genetisch bepaald is.

c)

geloven dat straf geen invloed heeft op gedrag.

d)

aannemen dat iedereen even vatbaar is voor criminaliteit.

77.

Deze opvatting is hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende theorie:

a)

Behaviorisme

b)

Cognitivisme

c)

Humanisme

d)

Constructivisme

78.

Openbaarheid van rechtszittingen is een kenmerk van de rechtsstaat omdat:

a)

het zorgt voor controle op het functioneren van de rechterlijke macht.

b)

het maakt het makkelijker om verdachten te straffen.

c)

het voorkomt dat rechters fouten maken.

d)

het zorgt ervoor dat alle rechtszaken sneller verlopen.

79.

Sommige rechtszaken vinden achter gesloten deuren plaats omdat:

a)

de privacy van betrokkenen beschermd moet worden.

b)

er te weinig ruimte is in de rechtszaal.

c)

de rechter dat altijd zo wil.

d)

het publiek niet geïnteresseerd is.

80.

Een verdachte van een ingewikkelde of zware strafzaak staat terecht voor:

a)

de kantonrechter

b)

de politierechter

c)

de rechtbank

d)

de civiele rechter

81.

De verdachte kan daarna in hoger beroep gaan bij:

a)

de Hoge Raad

b)

het Gerechtshof

c)

de Rechtbank

d)

de Raad van State

82.

Welke van de volgende reeksen geeft correct de zeven stappen van het verloop van een rechtszaak weer, inclusief een korte toelichting en de betrokkenen?

a)

1. Dagvaarding - De zaak wordt gestart; partijen zijn eiser en gedaagde. 2. Zitting - De zaak wordt besproken; rechter, partijen en advocaten. 3. Pleidooi - Argumenten worden gegeven; advocaten en partijen. 4. Vonnis - Rechter doet uitspraak; rechter en partijen. 5. Hoger beroep - Mogelijkheid tot bezwaar; partijen en hogere rechter. 6. Cassatie - Laatste kans op bezwaar; partijen en Hoge Raad. 7. Uitvoering vonnis - Uitspraak wordt uitgevoerd; partijen en deurwaarder.

b)

1. Pleidooi - Rechter doet uitspraak; partijen en advocaten. 2. Dagvaarding - Uitspraak wordt uitgevoerd; eiser en gedaagde. 3. Zitting - Mogelijkheid tot bezwaar; rechter en partijen. 4. Vonnis - Argumenten worden gegeven; advocaten en partijen. 5. Hoger beroep - De zaak wordt gestart; partijen en hogere rechter. 6. Cassatie - De zaak wordt besproken; partijen en Hoge Raad. 7. Uitvoering vonnis - Laatste kans op bezwaar; partijen en deurwaarder.

c)

1. Zitting - Uitspraak wordt uitgevoerd; rechter en partijen. 2. Dagvaarding - De zaak wordt besproken; eiser en gedaagde. 3. Pleidooi - Mogelijkheid tot bezwaar; advocaten en partijen. 4. Vonnis - Laatste kans op bezwaar; rechter en partijen. 5. Hoger beroep - Argumenten worden gegeven; partijen en hogere rechter. 6. Cassatie - De zaak wordt gestart; partijen en Hoge Raad. 7. Uitvoering vonnis - Rechter doet uitspraak; partijen en deurwaarder.

d)

1. Dagvaarding - Laatste kans op bezwaar; partijen zijn eiser en gedaagde. 2. Zitting - Uitspraak wordt uitgevoerd; rechter, partijen en advocaten. 3. Pleidooi - De zaak wordt gestart; advocaten en partijen. 4. Vonnis - De zaak wordt besproken; rechter en partijen. 5. Hoger beroep - Rechter doet uitspraak; partijen en hogere rechter. 6. Cassatie - Argumenten worden gegeven; partijen en Hoge Raad. 7. Uitvoering vonnis - Mogelijkheid tot bezwaar; partijen en deurwaarder.

83.

Een rechtszaak bestaat uit een aantal stappen. Welke persoon speelt de hoofdrol bij de volgende stappen? Kies uit: de advocaat – de officier van justitie – de rechter. a. Opening.

a)

de advocaat

b)

de officier van justitie

c)

de rechter

84.

Een rechtszaak bestaat uit een aantal stappen. Welke persoon speelt de hoofdrol bij de volgende stappen?

a)

de advocaat

b)

de officier van justitie

c)

de rechter

85.

Een rechtszaak bestaat uit een aantal stappen. Welke persoon speelt de hoofdrol bij de volgende stappen?

a)

de advocaat

b)

de officier van justitie

c)

de rechter

86.

Een rechtszaak bestaat uit een aantal stappen. Welke persoon speelt de hoofdrol bij de volgende stappen?

a)

de advocaat

b)

de officier van justitie

c)

de rechter

87.

Een rechtszaak bestaat uit een aantal stappen. Welke persoon speelt de hoofdrol bij de volgende stappen?

a)

de advocaat

b)

de officier van justitie

c)

de rechter

88.

De mogelijkheid van een pro-Deoadvocaat voor verdachten met weinig geld heeft te maken met welk uitgangspunt van de rechtsstaat?

a)

Gelijkheid voor de wet

b)

Scheiding der machten

c)

Onafhankelijke rechtspraak

d)

Legaliteitsbeginsel

89.

Wat zal de officier van justitie in een rechtszaak over een brute roofoverval benadrukken?

a)

De ernst van het misdrijf en het gevaar voor de samenleving.

b)

De persoonlijke situatie van de verdachte.

c)

De populariteit van de wijk waar het gebeurde.

d)

De lengte van het proces.

90.

De kern van het requisitoir van de officier van justitie tijdens een rechtszaak is meestal:

a)

het eisen van een bepaalde straf voor de verdachte

b)

het verdedigen van de verdachte

c)

het presenteren van getuigenverklaringen

d)

het uitleggen van de wet aan de rechter

91.

Welke twee zaken krijgen vaak de nadruk in het pleidooi van een advocaat tijdens een rechtszitting?

a)

De feiten van de zaak en de juridische argumenten

b)

De kleding van de rechter en de locatie van de rechtbank

c)

De persoonlijke voorkeuren van de advocaat en het weer op de zittingsdag

d)

De pauzetijden en de catering tijdens de zitting

92.

De laatste stap van een rechtszaak is het vonnis. Wat krijgt de verdachte dan te horen?

a)

Of hij schuldig of onschuldig is bevonden en welke straf hij krijgt.

b)

Welke getuigen zijn gehoord tijdens de rechtszaak.

c)

Wanneer de volgende zitting zal plaatsvinden.

d)

Welke advocaat hem zal verdedigen.

93.

Mensen kunnen na een uitspraak van de rechter in hoger beroep gaan. Een reden om in hoger beroep te gaan is:

a)

Men is het niet eens met de uitspraak van de rechter.

b)

Men wil de zaak sneller afsluiten.

c)

Men wil een andere rechter ontmoeten.

d)

Men wil de kosten verhogen.

94.

Mensen kunnen na een uitspraak van de rechter in hoger beroep gaan. Wat is de volgende optie als het hoger beroep niets uithaalt?

a)

Cassatie bij de Hoge Raad

b)

Een nieuwe rechtszaak starten

c)

Een klacht indienen bij de rechtbank

d)

De zaak voorleggen aan het Europees Parlement

95.

Welke van de volgende redenen zijn waarom de samenleving van een rechter verwacht dat deze de dief straft?

a)

Om anderen af te schrikken en de rechtsorde te handhaven.

b)

Om de dief te belonen voor zijn daad.

c)

Om de rechter te straffen.

d)

Om de samenleving te belonen.

96.

Voorkomen van eigenrichting is een doel van het geven van straffen. Wat betekent het voorkomen van eigenrichting?

a)

Dat mensen niet zelf het recht in eigen handen nemen.

b)

Dat straffen altijd zwaar moeten zijn.

c)

Dat iedereen zijn eigen regels mag maken.

d)

Dat straffen alleen door de overheid gegeven mogen worden.

97.

Eigenrichting kan een rechtsstaat ondermijnen omdat:

a)

het de rol van de rechter en het rechtssysteem ondermijnt.

b)

het de macht van de overheid versterkt.

c)

het zorgt voor meer vertrouwen in de wet.

d)

het bevordert gelijke behandeling voor iedereen.

98.

In Nederland kun je resocialisatie ook 'heropvoeding' noemen omdat:

a)

het gericht is op het opnieuw aanleren van normen en waarden.

b)

het alleen bedoeld is om te straffen.

c)

het vooral draait om vergelding.

d)

het geen invloed heeft op het gedrag van de dader.

99.

Resocialisatie is ook een doel wanneer een rechter iemand tbs oplegt.

a)

Ja, resocialisatie is een doel bij tbs.

b)

Nee, resocialisatie is geen doel bij tbs.

c)

Resocialisatie is alleen een doel bij gevangenisstraf.

d)

Resocialisatie is alleen een doel bij jeugdstraffen.