wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taallab 7 (Campus Nederlands concreet 4)

Total questions: 36

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welke vorm is juist in de tegenwoordige tijd? → Hij (worden) kwaad als iemand hem tegenspreekt.

a)

word

b)

wordt

c)

wort

d)

werd

2.

Kies het correcte voltooid deelwoord. → Ze heeft haar huis mooi ...

a)

A. schilder

b)

B. schildert

c)

C. geschilderd

d)

D. schilderde

3.

Welke zin staat in de verleden tijd?

a)

Ik loop elke ochtend naar school.

b)

Ik heb naar school gelopen.

c)

Ik liep gisteren naar school.

d)

Ik zal naar school lopen.

4.

Vul het juiste werkwoord in. → Jij altijd beleefd.

a)

antwoord

b)

antwoordt

c)

antwoorde

d)

geantwoord

5.

Welke zin bevat een werkwoord in de verleden tijd?

a)

Ze vraagt haar moeder om hulp.

b)

Ze vroeg haar moeder om hulp.

c)

Ze heeft haar moeder om hulp vragen.

d)

Ze zal haar moeder vragen.

6.

Wat is de juiste vorm? → Hij (melden) zich bij de balie.

a)

meldde

b)

meld

c)

melde

d)

gemeld

7.

Kies het juiste voltooid deelwoord. → Ze heeft de regels goed ...

a)

onthoud

b)

onthouden

c)

onthield

d)

onthoudt

8.

Welke zin bevat een fout?

a)

Jij antwoordt altijd beleefd.

b)

Hij word snel boos.

c)

De hond blaft luid.

d)

Wij werken samen.

9.

Wat is het voltooid deelwoord van worden?

a)

geword

b)

geworden

c)

werd

d)

wordde

10.

Hoeveel voorzetsels zitten in deze zin? → De kat ligt onder de tafel bij het raam.

a)

1

b)

3

c)

2

d)

4

11.

Wat is het voorzetsel in deze zin? → Hij wandelt met zijn hond door het park.

a)

wandelt

b)

hond

c)

met

d)

park

12.

Welke woorden zijn voorzetsels?

a)

A. naar en met

b)

B. loopt en praat

c)

C. jongen en vriend

d)

D. praat en school

13.

In welke zin staat géén voorzetsel?

a)

Ik zit op de stoel.

b)

We lopen naar huis.

c)

Hij zwemt elke dag.

d)

De tas ligt onder de tafel.

14.

Wat is het voorzetsel in deze zin? → Ze fietst langs de rivier naar het dorp.

a)

fietst

b)

rivier

c)

langs

d)

dorp

15.

Hoeveel voorzetsels bevat deze zin? → De hond sprong over het hek en liep naar zijn baasje.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

16.

Wat is het voorzetsel in deze zin? → De leerlingen werken samen aan het project.

a)

werken

b)

samen

c)

aan

d)

het

17.

Welke zin bevat twee voorzetsels?

a)

Ik wacht op de bus aan het station.

b)

Ik wacht de bus aan station.

c)

Ik wacht bij station.

d)

Ik wacht bus op station.

18.

Wat betekent aanzetten tot?

a)

Iemand iets laten doen

b)

Iemand iets afleren

c)

Iets afmaken

d)

Iets tegengaan

19.

Wat betekent appreciëren?

a)

Iets belachelijk vinden

b)

Iets waarderen

c)

Iets vergeten

d)

Iets uitleggen

20.

Wat betekent concreet?

a)

vaag en onduidelijk

b)

met gevoel

c)

duidelijk en tastbaar

d)

ingewikkeld

21.

Wat betekent cruciaal?

a)

overbodig

b)

onbelangrijk

c)

erg belangrijk

d)

grappig

22.

Wat bedoelen we met het fenomeen?

a)

een raar gevoel

b)

een opvallend verschijnsel

c)

een fantasiefiguur

d)

een persoon

23.

Wat betekent in kaart brengen?

a)

letterlijk tekenen

b)

analyseren of overzicht maken

c)

zoeken naar een plaats

d)

iets vergelijken

24.

Wat betekent recent?

a)

oud

b)

pas gebeurd

c)

zelden

d)

vaag

25.

Wat is in deze zin het voorzetselvoorwerp? → We rekenen op jouw hulp.

a)

We

b)

rekenen

c)

op jouw hulp

d)

jouw

26.

Zit er in deze zin een voorzetselvoorwerp? → De hond loopt naar zijn baasje.

a)

Ja

b)

Nee

27.

Wat is het voorzetselvoorwerp in deze zin? → Ze twijfelt aan haar keuze.

a)

haar keuze

b)

twijfelt

c)

aan haar keuze

d)

keuze

28.

Zit er in deze zin een voorzetselvoorwerp? → Hij denkt aan de vakantie.

a)

Ja

b)

Nee

29.

Welke zin bevat een voorzetselvoorwerp?

a)

De jongen springt over de sloot.

b)

We luisteren naar de leerkracht.

c)

De kat loopt in de tuin.

d)

Ik leg het boek op tafel.

30.

Wat is het voorzetselvoorwerp in deze zin? → De leerlingen hopen op een goed resultaat.

a)

hopen op een goed resultaat

b)

een goed resultaat

c)

op een goed resultaat

d)

goed resultaat

31.

Wat is het voorzetselvoorwerp in deze zin? → De docent wijst op het belang van samenwerking.

a)

op het belang

b)

op het belang van samenwerking

c)

het belang

32.

Welke zin bevat een voorzetselvoorwerp?

a)

Hij kijkt door het raam.

b)

We hopen op een zonnige dag.

c)

De leerlingen lopen naar de bus.

d)

Ze zitten op een stoel.

33.

Vul het juiste woord in:
→ Dat onderzoek is erg ________, want zonder die resultaten kunnen we niet verder.

a)

cruciaal

b)

rechtstreeks

c)

recent

d)

concreet

34.

Vul het juiste woord in:
→ De foto’s geven een mooie ________ van het leven op school.

a)

vaststelling

b)

weergave

c)

uiting

d)

fenomeen

35.

Vul het juiste woord in:
→ De leerlingen moesten de verschillende oorzaken van pesten eerst ________ voordat ze een oplossing konden voorstellen.

a)

appreciëren

b)

in kaart brengen

c)

van belang zijn

d)

luiden

36.

Vul het juiste woord in:
→ Haar woorden ________ dat ze niet tevreden was met het resultaat.

a)

uiten

b)

luiden

c)

concreet

d)

behoren tot