wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test je kennis over sarcopenie!

Total questions: 11

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Welke grenswaarde voor wandelsnelheid wordt vaak gebruikt als indicator van mogelijk verhoogd risico op sarcopenie?

a)

Sneller dan 1,5 m/s

b)

Trager dan 0,8 m/s

c)

Sneller dan 0,8 m/s

d)

Sneller dan 1,2 m/s

2.

Wat meet het bia-toestel (bio-elektrische impedantie meting)?

a)

Spierkwaliteit

b)

Spierkracht

c)

Spierfunctie

d)

Spiermassa

3.

Waarom is voldoende eiwitinname bij ouderen extra belangrijk ter preventie van sarcopenie?

a)

Ouderen verbranden eiwitten sneller

b)


Ouderen hebben minder efficiënte eiwitsynthese dan jongere mensen

c)

Ouderen kunnen geen koolhydraten verwerken

d)

Eiwitinname verhoogt de botdichtheid

4.

Wat is een kenmerk van resistentietraining als behandeling van sarcopenie?

a)

De belasting blijft altijd gelijk

b)

De belasting wordt geleidelijk verhoogd wanneer de spier sterker wordt

c)

Je traint zonder enige vorm van weerstand

d)

Het werkt alleen bij professionele atleten

5.

Welke uitspraak over Blood Flow Restriction (BFR)-training bij oudere volwassenen is correct?

a)

BFR-training werkt alleen bij zeer zware gewichten (>15% lichaamsgewicht)

b)

BFR-training leidt tot vergelijkbare spiergroei als traditionele krachttraining, maar met veel lichtere gewichten

c)

BFR-training blokkeert de arteriële bloedtoevoer volledig

d)

BFR-training is enkel effectief voor het verbeteren van uithoudingsvermogen, niet kracht

6.

Welke meting wordt het meest gebruikt op een Biodex meter om spierkracht bij sarcopenie objectief te beoordelen?

a)

Piek van spierkracht bij een vooraf ingestelde bewegingssnelheid

b)


Maximale hartfrequentie tijdens inspanning

c)

Zuurstofverbruik tijdens de beweging

d)


Hoeveelheid spiermassa gemeten tijdens de beweging

7.

Wat kan een hoge speekselosmolaliteit bij een persoon aangeven?

a)


Dat iemand geen spiertraining doet

b)


Dat iemand beter slaapt

c)

Dat iemand veel water heeft gedronken

d)


Dat iemand uitgedroogd is

8.

Wat meet de Dividat vooral?

a)

Cognitieve snelheid en geheugen

b)

Spiermassa en uithoudingsvermogen

c)

Variabiliteit van hartfrequentie tijdens een inspanning

d)

Balans, mobiliteit en loopvaardigheid

9.

Wat is juist over statines en sarcopenie bij ouderen?

a)

Statines genezen sarcopenie

b)

Statines veroorzaken heel vaak spierklachten bij ouderen

c)

Statines hebben een beperkt effect en kunnen, afhankelijk van de dosis, duur, co-medicatie en persoonlijke factoren, gunstig of ongunstig zijn voor spieren

d)

Statines verbeteren altijd sperimassa ongeacht andere medicatie of gezondheidsstatus

10.

Wat is de impact van sarcopenie bij ouderen op vallen, mortaliteit en kwaliteit van leven?

a)

Sarcopenie verhoogt het valrisico, maar heeft geen effect op mortaliteit of levenskwaliteit

b)

Sarcopenie verhoogt het valrisico, mortaliteit en vermindert de kwaliteit van leven

c)

Sarcopenie heeft alleen invloed op spiermassa, zonder gevolgen voor dagelijkse functies

d)

Sarcopenie verlaagt het valrisico door compensatoire mechanismen

11.

Wat is de rol van vitamine D bij sarcopenie?

a)

Vitamine D helpt de spierfunctie te behouden

b)

Vitamine D dient aan alle ouderen te worden gegeven om sarcopenie tegen te gaan

c)

Vitamine D heeft geen effect op spieren, alleen op botten

d)

Vitamine D versnelt spierafbraak