wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets module 4

Total questions: 78

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Welke term beschrijft een verandering in de omgeving die een reactie bij een organisme uitlokt?

a)

prikkel

b)

zintuig

c)

effector

d)

receptor

2.

Wat is de meest gepaste reactie van een plant op langdurige droogte?

a)

verdorren om verdamping te beperken

b)

versneld groeien naar water

c)

meer bloemen tegelijk maken

d)

wortels loslaten uit de bodem

3.

Welke prikkel veroorzaakt het afvallen van bladeren bij loofbomen in de herfst?

a)

temperatuurdaling in de herfst

b)

tekort aan mineralen in bodem

c)

toename van daglengte in herfst

d)

overmaat aan water in bladeren

4.

Wat is het nut van bladval voor de boom?

a)

de winter overleven met minder verlies

b)

meer insecten aantrekken voor bestuiving

c)

meer schaduw maken voor de wortels

d)

extra zuurstof uit de lucht opnemen

5.

Welk zintuigorgaan detecteert geurstimuli bij mensen?

a)

neusslijmvlies met reukreceptoren

b)

huid met tastlichaampjes

c)

tong met smaakpapillen

d)

oog met staafjes

6.

Welke prikkel wordt door thermoreceptoren in de huid waargenomen?

a)

temperatuurverschil van omgeving

b)

intensiteit van geuren in lucht

c)

concentratie van suikers in speeksel

d)

hoeveelheid geluidsgolven per seconde

7.

In welke situatie is ‘pijn’ de prikkel die men waarneemt?

a)

geblesseerde knie met rood gebied

b)

zonlicht dat door autoruit schijnt

c)

een beltoon in een stille klas

d)

een citroen proeven bij lunch

8.

Welke van de volgende prikkels kunnen mensen rechtstreeks waarnemen tijdens het autorijden bij laagstaande zon?

a)

licht dat fel in de ogen schijnt

b)

zwaartekracht die de auto trekt

c)

magnetisch veld van de batterij

d)

elektrisch veld rond de bedrading

9.

Wat is een juiste koppeling tussen prikkel en zintuig?

a)

geurstoffen – reukreceptoren in neus

b)

druk – staafjes in het netvlies

c)

licht – smaakpapillen op de tong

d)

geluid – tastlichaampjes in huid

10.

Welke uitspraak past bij het onderscheid tussen prikkel en reactie?

a)

prikkel is oorzaak, reactie is gevolg

b)

reactie is oorzaak, prikkel is gevolg

c)

beide zijn steeds dezelfde gebeurtenis

d)

geen van beide beïnvloeden elkaar

11.

Wat toont de proef met de blinddoek aan over licht als prikkel?

a)

Licht is altijd een prikkel zonder uitzondering

b)

Licht is geen prikkel bij open ogen

c)

Licht is een prikkel alleen als je het waarneemt

d)

Licht is een prikkel zodra het aanwezig is

12.

Wat gebeurt er als de stukjes papier te klein worden in de handpalm?

a)

Ze worden sterker als prikkel ervaren

b)

Ze worden niet meer gevoeld als prikkel

c)

Ze veroorzaken pijnreacties in de hand

d)

Ze verhogen de gevoeligheidsdrempel

13.

Wat is de prikkeldrempel het best beschreven als?

a)

De maximale intensiteit van een prikkel

b)

De minimale sterkte om waar te nemen

c)

De gemiddelde duur van een prikkel

d)

De tijd tot gewenning optreedt

14.

Welke uitspraak over gewenning is correct?

a)

Gevenning maakt prikkels altijd sterker

b)

Gevenning betekent dat je prikkel filtert

c)

Gevenning is het volledig uitschakelen van zintuigen

d)

Gevenning is het wennen waardoor prikkel minder opvalt

15.

Waarom ruik je in een parfumerie na een tijdje minder geuren?

a)

De lucht wordt zuurstofarmer na enkele minuten

b)

Je reukzenuw wordt tijdelijk beschadigd

c)

Je lichaam past de prikkeldrempel omlaag aan

d)

Er treedt gewenning op door continue prikkels

16.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Felle zon op je gezicht

b)

Een luid schoolbelgeluid

c)

Een volle blaas die aandrang geeft

d)

Een geur van vers brood buiten

17.

Bij een hoogsensitief persoon kan overstimulatie ontstaan doordat...

a)

de prikkelfilter te veel prikkels doorlaat

b)

de drempelwaarde altijd hoger ligt

c)

alle prikkels intern worden genegeerd

d)

de zintuigen volledig uitgeschakeld zijn

18.

Welke uitspraak over prikkeldrempel is juist?

a)

Minimumsterkte waarbij prikkel waarneembaar is

b)

Maximumsterkte waarbij prikkel gevaarlijk is

c)

Gemiddelde sterkte die iedereen voelt

d)

Sterkte waarbij gewenning onmiddellijk start

19.

Wat beschrijft prikkelgewenning het best?

a)

Minder opmerken na langdurige zelfde prikkel

b)

Sterker reageren na korte prikkel

c)

Altijd dezelfde reactie op elke prikkel

d)

Niet kunnen waarnemen van sterke prikkels

20.

Welke rol heeft de prikkelfilter in de hersenen?

a)

Bepaalt of en hoe sterk prikkels doorgegeven worden

b)

Versterkt elke prikkel tot maximum

c)

Zet prikkels om in hormonen

d)

Slaat prikkels op als herinneringen

21.

Welke is een inwendige prikkel?

a)

Hongergevoel na lange les

b)

De geur van koffie buiten

c)

Een papiertje dat op je hand valt

d)

Zonlicht op het gezicht

22.

Welke is een uitwendige prikkel?

a)

Hitte die je doet zweten

b)

Drang om naar toilet te gaan

c)

Zoogdruk in uier van koe

d)

Watertekort in een plant

23.

Wat is het verschil tussen uitwendige en inwendige prikkels?

a)

Komen respectievelijk uit omgeving en in het organisme

b)

Komen beiden uitsluitend uit de omgeving

c)

Komen beiden uitsluitend uit organen

d)

Komen respectievelijk uit hersenen en spieren

24.

Welke combinatie illustreert tegelijk inwendige en uitwendige prikkels?

a)

Honger voelen en frietjes ruiken

b)

Zweten en ademen tijdens slaap

c)

Huid aanraken en balans houden

d)

Praten en luisteren in stilte

25.

Welke stelling over zintuigen is correct?

a)

Zintuigen groeperen receptoren voor specifieke prikkels

b)

Zintuigen verspreiden hormonen in het bloed

c)

Zintuigen slaan signalen permanent op

d)

Zintuigen produceren elektrische energie

26.

Welke receptoren liggen verspreid over het hele lichaam?

a)

Receptoren voor temperatuurverschillen in de huid

b)

Receptoren voor licht in het oog

c)

Receptoren voor geur in de neus

d)

Receptoren voor smaak in de tong

27.

Waar bevinden zich meestal receptoren voor inwendige prikkels?

a)

In organen zoals alvleesklier en schildklier

b)

Alleen in spieren en botten

c)

Uitsluitend in de hersenschors

d)

Alleen aan het huidoppervlak

28.

Welk pad beschrijft het doorgeven van informatie door receptoren het best?

a)

Prikkel naar receptor, signaal via zenuw naar hersenen

b)

Prikkel naar spier, reactie zonder signaal

c)

Hersenen creëren prikkel, receptor volgt

d)

Zenuw maakt prikkel, receptor slaat op

29.

Een leerling ruikt parfum niet meer na 10 minuten. Welke verklaring past best?

a)

Prikkelgewenning vermindert de waarneming

b)

De prikel is boven de prikkeldrempel

c)

De prikkelfilter laat alles door

d)

De receptorcellen zijn beschadigd

30.

Welke functie hebben de wenkbrauwen?

a)

Leiden traanvocht naar de neus

b)

Voorkomen dat zweet in de ogen loopt

c)

Bewegen het oog in alle richtingen

d)

Produceren slijmerig oogvocht

31.

Wat is de primaire functie van de oogleden?

a)

Openen van het bovenste ooglid

b)

Beschermen tegen schokken en stoten

c)

Vocht en licht buiten het oog houden

d)

Produceren talg voor huidbescherming

32.

Welke structuur voorkomt dat stof en insecten rechtstreeks het oogoppervlak bereiken?

a)

Wimpers

b)

Bindvlies

c)

Oogspieren

d)

Oogkas

33.

Wat doet een traanklier met het oog?

a)

Maakt het oog vochtig en vermindert wrijving

b)

Houdt het oog op zijn plaats in de oogkas

c)

Versterkt de buitenste rechte oogspier

d)

Opent het bovenste ooglid bij fel licht

34.

Welke functie heeft het vetweefsel rond de oogbol?

a)

Beschermen tegen schokken en stoten

b)

Produceren van talg voor wimpers

c)

Afvoeren van traanvocht naar de neusholte

d)

Regelen van nauwkeurige oogbewegingen

35.

Wat is de rol van het bindvlies?

a)

Bedekken van de oogbol en oogleden met slijmlaag

b)

Produceren van zoute traanvloeistof

c)

Verankeren van de oogspieren aan de oogkas

d)

Versterken van de wenkbrauwhaartjes

36.

Wat gebeurt er meestal bij een ontstoken talgklier aan het ooglid?

a)

Het oogwit kleurt rood

b)

Er ontstaat een bultje door verstopping

c)

De oogspieren raken verlamd

d)

Het bindvlies scheurt gedeeltelijk

37.

Welke combinatie van oogspieren zorgt dat het oog omhoog kan kijken?

a)

Onderste rechte en onderste schuine

b)

Bovenste rechte en bovenste schuine

c)

Binnenste rechte en buitenste rechte

d)

Alle zes oogspieren tegelijk

38.

Wat is de functie van de oogkas?

a)

Beschermen tegen schokken en stoten

b)

Produceren traanvocht en talg

c)

Voorkomen dat zweet in het oog komt

d)

Verlichten het oog bij fel zonlicht

39.

Welke structuur opent het bovenste ooglid actief?

a)

Bindvlies

b)

Ooglidopheffer

c)

Traanklier

d)

Buitenste rechte oogspier

40.

Welke structuur vormt de buitenste, stevige begrenzing van het oog en loopt helemaal rond het oog?

a)

Hoornvlies aan de voorkant

b)

Hard oogvlies rondom

c)

Iris achter het hoornvlies

d)

Netvlies tegen achterzijde

41.

Welke doorzichtige structuur aan de voorkant van het oog is stevig doordat ze uit meerdere lagen bestaat?

a)

Pupil met ronde opening

b)

Hoornvlies met lagen

c)

Lensbandjes van vezels

d)

Oogzenuw met uitlopers

42.

Wat regelt de hoeveelheid licht die het oog binnenkomt door de opening te vergroten of te verkleinen?

a)

Iris die de pupil regelt

b)

Lens die scherpstelt

c)

Netvlies dat licht vangt

d)

Glasachtig lichaam

43.

Welke structuur zorgt voor de scherpstelling van het oog door van vorm te veranderen?

a)

Hoornvlies dat beschermt

b)

Ooglens die accomodeert

c)

Netvlies dat signaleert

d)

Oogzenuw die transporteert

44.

Wat is de functie van het glasachtig lichaam in de oogholte?

a)

Vervoert signalen naar hersenen

b)

Reguleert druk en behoudt vorm

c)

Verkleurt pupil bij veel licht

d)

Pompt bloed door vaten

45.

Waar wordt het beeld het scherpst gevormd door een hoge dichtheid aan fotoreceptoren?

a)

Blinde vlek zonder receptoren

b)

Gele vlek centraal netvlies

c)

Hoornvlies vooraan oog

d)

Straallichaam rond lens

46.

Welke structuur bevat geen lichtreceptoren, waardoor het oog daar geen licht kan zien?

a)

Netvlies over hele achterwand

b)

Blinde vlek bij oogzenuw

c)

Gele vlek met kegeltjes

d)

Hoornvlies met bindvlies

47.

Welke onderdelen houden de lens op zijn plaats door verbinding met het straallichaam?

a)

Lensbandjes van vezels

b)

Bloedvaten in netvlies

c)

Vaatvlies en oogholte

d)

Pupil en irisrand

48.

Wat is de rol van het vaatvlies aan de binnenkant van het harde oogvlies?

a)

Transporteert zenuwsignalen

b)

Levert voedingsstoffen

c)

Regelt pupilgrootte

d)

Vormt helder beeld

49.

Welke route volgen lichtsignalen vanaf de fotoreceptoren naar de hersenen?

a)

Lens → iris → pupil

b)

Netvlies → oogzenuw

c)

Hoornvlies → vaatvlies

d)

Glasachtig → gele vlek

50.

Waarom is het hoornvlies extra stevig en goed beschermd?

a)

Bevat meerdere lagen weefsel

b)

Wordt omgeven door vaatvlies

c)

Ligt centraal in de oogholte

d)

Is verbonden met oogzenuw

51.

Wat gebeurt met het netvlies wanneer licht door de lens valt?

a)

Het vangt prikkels op

b)

Het vergroot de pupil

c)

Het pompt bloed rond

d)

Het verhardt de oogbol

52.

Welke combinatie beschrijft correct de positie van de iris en pupil?

a)

Iris achter hoornvlies, pupil centraal

b)

Iris in oogzenuw, pupil perifeer

c)

Iris in glasachtig, pupil achterin

d)

Iris op netvlies, pupil naast vlek

53.

Wat is het gevolg van beschadigde lensbandjes voor het zien?

a)

Pupil sluit niet meer goed

b)

Lens kan niet scherpstellen

c)

Netvlies kan geen licht vangen

d)

Oogzenuw stopt met geleiden

54.

Waarom ontstaat een 'blinde vlek' in het gezichtsveld?

a)

Lens is te bol geworden

b)

Hoornvlies is ondoorzichtig

c)

Oogzenuw verlaat het oog

d)

Iris blokkeert de pupil

55.

Welke structuur vormt het doorzichtige venster aan de voorkant van het oog?

a)

Iris

b)

Hoornvlies

c)

Netvlies

d)

Harde oogvlies

56.

Welke oogstructuur regelt de hoeveelheid licht die via de opening naar binnen valt?

a)

Iris

b)

Lens

c)

Glasachtig lichaam

d)

Oogzenuw

57.

Wat is de functie van de pupil?

a)

Beeld scherpstellen

b)

Opening voor invallend licht

c)

Beschermen tegen infecties

d)

Transport van impulsen

58.

Welke laag bevat de lichtgevoelige receptoren?

a)

Vaatvlies

b)

Netvlies

c)

Harde oogvlies

d)

Hoornvlies

59.

Welke structuur zorgt voor beeldvorming door licht te breken?

a)

Harde oogvlies

b)

Lens

c)

Iris

d)

Oogzenuw

60.

Welke structuur transporteert informatie van het oog naar de hersenen?

a)

Oogzenuw

b)

Vaatvlies

c)

Glasachtig lichaam

d)

Traanklier

61.

Welke structuur helpt de interne druk van het oog constant te houden?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Hoornvlies

d)

Pupil

62.

Welke laag omringt en beschermt het oog aan de buitenzijde?

a)

Harde oogvlies

b)

Vaatvlies

c)

Iris

d)

Netvlies

63.

Welke structuur is sterk doorbloed en ligt onder het harde oogvlies?

a)

Netvlies

b)

Vaatvlies

c)

Hoornvlies

d)

Glasachtig lichaam

64.

Kijk naar de doorsnede van het oog. Welke genummerde structuur correspondeert het meest waarschijnlijk met de lens?

a)

Nummer 3

b)

Nummer 5

c)

Nummer 7

d)

Nummer 1

65.

In de doorsnede: welk nummer duidt de oogzenuw aan?

a)

Nummer 6

b)

Nummer 9

c)

Nummer 2

d)

Nummer 4

66.

In de doorsnede: welk nummer ligt aan de binnenkant van het vaatvlies en bevat fotoreceptoren?

a)

Nummer 8

b)

Nummer 5

c)

Nummer 1

d)

Nummer 4

67.

Welke uitspraak over het harde oogvlies is juist?

a)

Doorzichtig en vooraan gelegen

b)

Gekleurd en loopt door in iris

c)

Sterk doorbloed en onder sclera

d)

Hard omhulsel en buitenzijde

68.

Welke bewering past het best bij het glasachtig lichaam?

a)

Ligging in achterste oogkamer

b)

Regelt druk en vult oogholte

c)

Bevat fotoreceptoren in binnenlaag

d)

Doorzichtig venster aan voorkant

69.

Welke structuur bepaalt rechtstreeks hoeveel licht het oog binnenkomt?

a)

De pupilopening in de iris

b)

De lens in het midden

c)

Het hoornvlies vooraan

d)

Het netvlies achteraan

70.

Wat gebeurt er met de pupil bij fel licht?

a)

De pupil wordt kleiner

b)

De pupil wordt groter

c)

De pupil blijft gelijk

d)

De pupil verandert van kleur

71.

Welke uitspraak is juist over de pupilreflex?

a)

De reactie verloopt onbewust

b)

Je kunt die bewust sturen

c)

Ze verandert traagjes nooit

d)

Ze staat los van licht

72.

Wat is de directe functie van het verkleinen van de pupil bij fel licht?

a)

Minder licht binnen laten

b)

Scherper beeld vormen

c)

Kleurwaarneming verbeteren

d)

Oogdruk constant houden

73.

Waarom verschijnen soms rode ogen op flitsfoto's in het donker?

a)

Iris trekt te traag samen

b)

Netvlies reflecteert blauw

c)

Lens verstrooit het licht

d)

Pupil sluit volledig af

74.

Welke zin vult correct aan: De diameter van de pupil wordt geregeld door ... in de iris.

a)

spieren rond de pupil

b)

zenuwen van het netvlies

c)

bloedvaten in de sclera

d)

klieren van het ooglid

75.

Welk pad volgt een lichtstraal door het oog om het netvlies te bereiken?

a)

Hoornvlies → waterige vloeistof → pupil → lens → glasachtig lichaam

b)

Pupil → lens → hoornvlies → glasachtig lichaam → netvlies

c)

Lens → hoornvlies → pupil → netvlies → glasachtig lichaam

d)

Waterige vloeistof → hoornvlies → pupil → lens → netvlies

e)

Glasachtig lichaam → pupil → hoornvlies → lens → netvlies

76.

Welk beeld wordt op het netvlies gevormd van een voorwerp?

a)

Omgekeerd en verkleind beeld

b)

Rechtop en vergroot beeld

c)

Rechtop en even groot beeld

d)

Omgekeerd en vergroot beeld

e)

Spiegelend en vervormd beeld

77.

Wat is accommoderen in het oog?

a)

De lens past haar kromming aan

b)

De pupil verandert van grootte

c)

Het netvlies schuift naar achteren

d)

De oogbol verlengt tijdelijk

78.

Een leerling wisselt snel tussen bord en boek maar ziet het bord wazig. Welke uitleg past het best?

a)

Accommodatie verloopt te traag

b)

Pupil is te klein geworden

c)

Netvlies staat te ver naar achter

d)

Hoornvlies is te plat gebogen