wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4 Stevigheid en Beweging HA1

Total questions: 53

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Uit welke delen bestaat het lichaam?

a)

Hoofd

b)

Ledematen

c)

Romp

2.

Een andere naam voor skelet is (a)  

3.

Welke functie hoort bij:
rechtop kunnen staan.

a)

Stevigheid

b)

Bewegen

c)

Bescherming

d)

Vorm geven

4.

Welke functie hoort bij:
een stevige laag om kwetsbare organen.

a)

Stevigheid

b)

Bewegen

c)

Bescherming

d)

Vorm geven

5.

Welke functie hoort bij:
jezelf verplaatsen.

a)

Stevigheid

b)

Bewegen

c)

Bescherming

d)

Vorm geven

6.

Welke functie hoort bij:
de ronde vorm van je hoofd of brede schouders hebben.

a)

Stevigheid

b)

Bewegen

c)

Bescherming

d)

Vorm geven

7.

Welk weefsel hoort bij de volgende omschrijving?

Deze cellen liggen in groepjes bij elkaar met elastische tussencelstof.

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Botweefsel

8.

Welk weefsel hoort bij de volgende omschrijving?

Dit weefsel bevat veel collageen (lijmstof).

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Botweefsel

9.

Welk weefsel hoort bij de volgende omschrijving?

Deze cellen liggen in tussencelstof in kringen rond een kanaaltje.

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Botweefsel

10.

Welk weefsel hoort bij de volgende omschrijving?

Kalkzouten in de tussencelstof geven stevigheid aan dit weefsel.

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Botweefsel

11.

Welke stof in botweefsel zorgt voor de buigzaamheid van het bot?

(a)  

12.

Welke stof in botweefsel zorgt voor de stevigheid van het bot?

(a)  

13.

In welke levensfase heb je vooral kraakbeen?

a)

Baby

b)

Kinderen

c)

Ouderen

14.

In welke levensfase heb je meer collageen dan kalkzouten?

a)

Baby

b)

Kinderen

c)

Ouderen

15.

In welke levensfase heb je meer kalkzouten dan collageen?

a)

Baby

b)

Kinderen

c)

Ouderen

16.

Welk begrip past bij de omschrijving?
Tussen de schedelbeenderen van baby's zijn ruimtes aanwezig met bindweefsel.

(a)  

17.

Kraakbeen zit bij volwassen in ....?

a)

Oorschelp

b)

Neus

c)

Tussen de ribben en het borstbeen

d)

Tussen de wervels van de wervelkolom

18.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Een verbinding waarbij de schedelbeenderen aan elkaar zitten en er weinig beweging mogelijk is.

(a)  

19.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Een verbinding waarbij de wervels van het heiligbeen aan elkaar zitten en er weinig beweging mogelijk is.

(a)  

20.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Een verbinding waarbij er een beetje beweging mogelijk is, tussen de ribben en het borstbeen.

(a)  

21.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Een verbinding waarbij er veel beweging mogelijk is, in je schouder of knie.

(a)  

22.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Een laagje in het gewricht dat slijtage tegengaat en bewegen soepeler maakt.

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtssmeer

c)

Kapselbanden

d)

Gewrichtskapsel

23.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Het houdt de botten op hun plaats en heeft gewrichtssmeer af.

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtssmeer

c)

Kapselbanden

d)

Gewrichtskapsel

24.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Het zorgt ervoor dat de botten soepel over elkaar bewegen, soort van pindakaas ;)

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtssmeer

c)

Kapselbanden

d)

Gewrichtskapsel

25.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?
Het zorgt voor extra versteviging om een gewricht.

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtssmeer

c)

Kapselbanden

d)

Gewrichtskapsel

26.

Welk type gewricht is te zien in de afbeelding?

(a)  

27.

Welk type gewricht is te zien in de afbeelding?

(a)  

28.

Welk type gewricht is te zien in de afbeelding?

(a)  

29.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?

Alle skeletspieren samen.

(a)  

30.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?

Twee spieren met een tegengestelde werking.

(a)  

31.

Hoe heet de plek waar de pees vast zit aan het bot?

a)

Aanhechtingsplaats

b)

Bot

c)

Pees

d)

Spier

32.

Waarmee zit de spier vast aan het bot?

a)

Aanhechtingsplaats

b)

Bot

c)

Pees

d)

Spier

33.

Hoe heet het als de spier korter en dikker wordt.

a)

Aangespannen (samentrekken)

b)

Ontspannen (uitrekken)

34.

Hoe heet het als de spier langer en dunner wordt.

a)

Aangespannen (samentrekken)

b)

Ontspannen (uitrekken)

35.

Als de biceps zich ontspant dan is de triceps ook ontspannen.

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Als de biceps zich aanspant dan is de triceps ontspannen.

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Kies TWEE antwoorden!
Welke vorm heeft de wervelkolom?
Door welke spieren wordt deze vorm in stand gehouden?

a)

Dubbele S-vorm

b)

Dubbele C-vorm

c)

Rugspieren

d)

Buikspieren

38.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving?

Een kromme rug die kan ontstaan door veel omlaag te kijken op beeldschermen.

(a)  

39.

Wat voorkomt rug- en nekpijn?

a)

Op je buik liggen als je op je telefoon kijkt.

b)

Tillen via je knieën

c)

Je schooltas over één schouder hangen.

d)

Tillen via je rug.

e)

Een rechte hoek maken met je bovenlichaam en je knieën als je zit.

40.

Door te trainen worden je spieren .... en ....

a)

Sterker

b)

Dikker

c)

Dunner

d)

Slapper

41.

Door te niets te doen (bijv. gips om je arm) worden je spieren .... en ....

a)

Sterker

b)

Dikker

c)

Dunner

d)

Slapper

42.

Welke oefeningen kunnen spierpijn voorkomen?

a)

Warming-up

b)

Rekoefeningen

c)

Cooling-down

d)

Geen oefeningen

43.

Welke begrip hoort bij de omschrijving?

Een blessure die je krijgt door telkens dezelfde beweging te herhalen.

(a)  

44.

De verschillen tussen de skeletten van zoogdieren zijn afhankelijk van de (a)  

45.

Een beer is een voorbeeld van een ...

a)

Topganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

46.

Een koe is een voorbeeld van een ...

a)

Topganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

47.

Een kat is een voorbeeld van een ...

a)

Topganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

48.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

Een beschadiging van een spier door te sterkte inspanning of een plotselinge beweging.

a)

Spierscheuring

b)

Botbreuk

c)

Voetbalknie

d)

Kneuzing

e)

Verzwikking

49.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

Een bot breekt in twee (of meer) delen.

a)

Spierscheuring

b)

Botbreuk

c)

Voetbalknie

d)

Kneuzing

e)

Verzwikking

50.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

In het kniegewricht is de meniscus beschadigd

a)

Botbreuk

b)

Voetbalknie

c)

Kneuzing

d)

Verzwikking

e)

Ontwrichting

51.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

Een beschadiging van weefsel door een val, duw, stomp of trap.

a)

Botbreuk

b)

Voetbalknie

c)

Kneuzing

d)

Verzwikking

e)

Ontwrichting

52.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

Een kneuzing van het gewricht: beschadiging van het gewrichtskapsel en de kapselbanden.

a)

Botbreuk

b)

Voetbalknie

c)

Kneuzing

d)

Verzwikking

e)

Ontwrichting

53.

Welke blessure hoort bij de omschrijving?

De gewrichtskogel is uit de gewrichtskom geraakt.

a)

Botbreuk

b)

Voetbalknie

c)

Kneuzing

d)

Verzwikking

e)

Ontwrichting