Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gen4.2 THEMA 02: hoofdstuk 1

Total questions: 70

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Waarom worden muildieren niet als een eigen soort beschouwd?

a)

Ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen krijgen

b)

Ze hebben grotere oren dan paarden

c)

Ze ontstaan enkel door menselijk fokken

d)

Ze lijken uiterlijk sterk op paarden

2.

Een Europese wolf en een Duitse herder kunnen samen vruchtbare nakomelingen krijgen. Wat betekent dit voor hun classificatie?

a)

Ze behoren tot verschillende geslachten

b)

Ze behoren tot dezelfde soort

c)

Ze vormen een nieuwe hybride soort

d)

Ze kunnen nooit samenparen in natuur

3.

Tsjech en chihuahua verschillen sterk in grootte en bouw. Welke biologische term beschrijft zulke verschillen binnen één soort?

a)

Speciatie

b)

Mutatie

c)

Adaptatie

d)

Variatie

4.

Wat is een geschikt criterium om micro‑organismen uit een hooi‑rijst‑bodemcultuur te classificeren?

a)

De grootte van het potje met cultuur

b)

Koloniekleur en randvorm op agar

c)

De volgorde waarin ze werden gevonden

d)

De prijs van het gebruikte voedingsmedium

5.

Je vergelijkt twee kolonies: A is glanzend, rond met gladde rand; B is mat, onregelmatig met geribbelde rand. Welke redeneerstap helpt je ze tot verschillende soorten te groeperen?

a)

Neem aan dat nabijheid in de plaat beslissend is

b)

Gebruik meerdere onafhankelijke kenmerken samen

c)

Kies het meest opvallende kenmerk alleen

d)

Baseer je op de eerste indruk van kleur

6.

Wat is de beste definitie van biodiversiteit in een ecosysteem?

a)

De verdeling van individuen over een landschap

b)

De snelheid waarmee soorten zich voortplanten

c)

De variatie aan soorten, genen en ecosystemen

d)

De hoeveelheid biomassa geproduceerd per jaar

7.

Welke eigenschap hoort het duidelijkst bij de biologische soortdefinitie?

a)

Behoren tot hetzelfde geslacht in de taxonomie

b)

Lijken sterk op elkaar in uiterlijk en kleur

c)

Delen exact dezelfde leefomgeving en voeding

d)

Kunnen onderling vruchtbare nakomelingen voortbrengen

8.

Een populatie wordt het best omschreven als:

a)

Alle soorten in een voedselweb van een regio

b)

Individuen van verschillende soorten die paren

c)

Individuen van één soort in hetzelfde gebied tegelijk

d)

Alle organismen met hetzelfde gedragspatroon

9.

Wat is de belangrijkste bron van variatie binnen een soort, zoals bij verschillende hondenrassen?

a)

Verschillen in genetisch materiaal tussen individuen

b)

Verschillen in leeftijd van de ouderdieren

c)

Verschillen in beschikbaar voedsel per regio

d)

Verschillen in dagelijkse training en gedrag

10.

Welke bewering beschrijft het verschil tussen een soort en een ras het best?

a)

Ras heeft verschillende chromosomenaantallen, soort niet

b)

Soort wordt door training gevormd, ras door omgeving

c)

Ras bepaalt voortplantingsgrenzen, soort bepaalt uiterlijk

d)

Soort bepaalt reproductieve compatibiliteit, ras bepaalt variatie binnen soort

11.

Een fokker kruist twee hondrassen en krijgt vruchtbare nakomelingen. Wat concludeer je?

a)

De rassen hebben identieke chromosomenaantallen

b)

De ouderdieren behoren tot verschillende soorten

c)

Beide ouderdieren behoren tot dezelfde soort

d)

De nakomelingen hebben geen genetische variatie

12.

Welke redenering verklaart het best waarom ezels en paarden wel kruisen maar zelden levensvatbare kleinkinderen geven?

a)

Hybriden hebben te weinig mitochondriën voor celdeling

b)

Hybriden missen alle genen voor voortplanting

c)

Hybriden vormen onpaarbare chromosomensets tijdens meiose

d)

Hybriden hebben identieke gameten die niet samensmelten

13.

Welke combinatie beschrijft correct hoe een wetenschappelijke soortnaam is opgebouwd?

a)

Geslachtsnaam gevolgd door soortaanduiding

b)

Geslachtsnaam gevolgd door ordeaanduiding

c)

Soortaanduiding gevolgd door familienaam

d)

Familienaam gevolgd door geslachtsnaam

14.

Wat geeft de geslachtsnaam in een binomiale naam vooral aan?

a)

Leefgebied en verspreiding van de soort

b)

Individuele variatie binnen één soort

c)

Voedselvoorkeur van populaties

d)

Nauwe verwantschap tussen soorten

15.

Kies de naam die juist is gespeld volgens binomiale regels.

a)

CANIS lupus

b)

Canis Lupus

c)

canis Lupus

d)

Canis lupus

16.

Twee organismen heten Panthera leo en Panthera pardus. Wat concludeer je het best?

a)

Ze behoren tot dezelfde soort en zijn identiek

b)

Ze delen een soortaanduiding en zijn verwant

c)

Ze delen een geslacht en zijn verwant

d)

Ze hebben geen verwantschap met elkaar

17.

Een onderzoeker vindt een nieuwe soort binnen het geslacht Quercus. Welke naamgeving past het meest correct?

a)

Quercus nova

b)

Nova quercus

c)

Quercus Planta

d)

Quercus Familia

18.

Welk criterium gebruik je direct wanneer je organismen indeelt op basis van DNA-overeenkomsten?

a)

Seizoensgedrag beschrijven

b)

Leefgebied in kaart brengen

c)

Voedselvoorkeur observeren

d)

Erfelijk materiaal vergelijken

19.

Waarom kan indelen op erfelijk materiaal nauwkeuriger zijn dan op uiterlijk?

a)

DNA wordt beïnvloed door gedragspatronen

b)

Uiterlijk verandert nooit met omgeving

c)

Uiterlijk is volledig genetisch bepaald

d)

DNA toont verwantschap ondanks uiterlijk

20.

Kies het beste voorbeeld van een morfologisch kenmerk als classificatiecriterium.

a)

Seizoensgebonden trekgedrag

b)

Voortplantingsseizoen van vogels

c)

Snelheid van voortbewegen

d)

Vorm van bladeren bij planten

21.

Wat was een belangrijke stap die leidde tot het vijfrijkensysteem?

a)

Beschrijving van sociaal gedrag

b)

Gebruik van binaire computercode

c)

Ontdekking van nieuwe continenten

d)

Inzicht in cellulaire organisatie

22.

Je vergelijkt genetische balkjes van wolf, coyote, vos en poolvos. Welke redenering is het sterkst onderbouwd?

a)

Paren met weinig verschillen zijn nauwer verwant

b)

Paren met gelijke lengte zijn dezelfde soort

c)

Dieren met felgekleurde balkjes zijn sneller

d)

Soorten met meer balkjes zijn complexer

23.

Welke celstructuur hebben zowel planten-, dieren- als schimmelcellen gemeen?

a)

Chloroplasten met chlorofyl

b)

Cellulose celwand

c)

Vacuole met sap

d)

Celkern met DNA

24.

Welke combinatie beschrijft correct een typisch kenmerk van plantencellen?

a)

Peptidoglycaan celwand en chloroplasten

b)

Geen celwand en geen chloroplasten

c)

Chitine celwand en geen chloroplasten

d)

Cellulose celwand en chloroplasten

25.

Wat is een essentieel verschil in voeding tussen planten en dieren?

a)

Beide strikt heterotroof met voedsel

b)

Beide strikt autotroof met licht

c)

Planten heterotroof, dieren autotroof

d)

Planten zijn autotroof, dieren heterotroof

26.

Welke uitspraak over schimmels is juist?

a)

Schimmels hebben een chitineuze celwand

b)

Schimmels hebben cellulose in de celwand

c)

Schimmels bezitten chloroplasten voor fotosynthese

d)

Schimmels zijn altijd eencellig zonder kern

27.

Een onderzoeker vindt een meercellige eukaryoot zonder celwand en zonder chloroplasten. Tot welke groep behoort dit organisme het meest waarschijnlijk?

a)

Dierenrijk

b)

Plantenrijk

c)

Bacteriën

d)

Schimmelrijk

28.

Welke combinatie van kenmerken past het best bij schimmels vergeleken met planten?

a)

Heterotroof en chitinewand

b)

Autotroof en cellulosewand

c)

Heterotroof en chloroplasten

d)

Autotroof en chitinewand

29.

Een cel heeft een kern, chloroplasten en een grote centrale vacuole. Welke bewering is dan het meest logisch?

a)

De cel is autotroof met cellulosewand

b)

De cel is autotroof zonder celwand

c)

De cel is heterotroof zonder celwand

d)

De cel is heterotroof met chitinewand

30.

Welke eigenschap onderscheidt het rijk van de moneren (Monera) van het rijk van de protisten (Protista)?

a)

Meercelligheid bij alle organismen

b)

Aanwezigheid van een celkern in alle cellen

c)

Afwezigheid van celwand in alle cellen

d)

Ontbreken van een celkern in alle cellen

31.

Waarom werd naast planten en dieren een extra rijk, Protista, ingevoerd in moderne indelingen?

a)

Om alle fotosynthetische soorten te groeperen

b)

Om alle meercellige soorten te groeperen

c)

Om organismen met kernloze cellen te groeperen

d)

Om eencellige organismen met celkern te groeperen

32.

Wat was een belangrijke beperking van het oorspronkelijke drie-rijken-systeem die tot uitbreiding leidde?

a)

Het hield geen rekening met aanwezigheid van celkern

b)

Het negeerde het verschil in celwandmateriaal

c)

Het gebruikte te veel genetische gegevens

d)

Het beschreef geen voedingsstrategieën

33.

Welke combinatie koppelt rijk en cellulaire organisatie correct?

a)

Protisten — cellen zonder membranen

b)

Moneren — eukaryote cellen met kern

c)

Protisten — prokaryote cellen zonder kern

d)

Moneren — prokaryote cellen zonder kern

34.

Een nieuw ontdekt eencellig organisme heeft een duidelijk zichtbare celkern. In welk rijk zou je het het eerst plaatsen?

a)

Monera, omdat het een celkern heeft

b)

Monera, omdat eencellig zonder kern

c)

Protista, omdat eencellig met celkern

d)

Planten, omdat het eencellig is

35.

Stel dat een onderzoeker alleen het kenmerk ‘aanwezigheid van celkern’ gebruikt. Welke fout is dan het meest waarschijnlijk?

a)

Protisten en dieren in één groep plaatsen

b)

Moneren in twee domeinen verdelen

c)

Protisten verwarren met moneren

d)

Eukaryoten als prokaryoten benoemen

36.

Welke uitspraak beschrijft het belangrijkste voordeel van classificeren op basis van DNA boven morfologie?

a)

Het toont alleen overeenkomsten tussen nauw verwante soorten uiterlijk

b)

Het maakt het tekenen van grotere bomen met meer takken mogelijk

c)

Het onthult genetische verwantschap ook bij uiterlijk verschillende soorten

d)

Het vervangt alle andere methoden inclusief ecologische observaties

37.

Wat betekent een hoge genetische overeenkomst tussen twee soorten het meest waarschijnlijk?

a)

Ze hebben identieke celgroottes en celwandopbouw

b)

Ze behoren altijd tot hetzelfde rijk binnen de eukaryoten

c)

Ze leven in precies dezelfde habitat en klimaat

d)

Ze delen een recente gemeenschappelijke voorouder in de evolutie

38.

Waarom kan morfologische classificatie tot misleidende indelingen leiden?

a)

Morfologie meet direct het volledige DNA van organismen

b)

Convergente evolutie kan vergelijkbare vormen zonder nauwe verwantschap veroorzaken

c)

Soorten met verschillende vormen hebben nooit gedeelde genen

d)

Alle organismen veranderen voortdurend van domein door mutaties

39.

Je vergelijkt het DNA van een archaea en een bacterie. Wat is de beste conclusie als hun DNA minder overeenkomt dan dat van twee eukaryoten?

a)

DNA-vergelijking is onbruikbaar bij het bepalen van domeinen

b)

Archaea en bacteriën zijn vaak minder nauw verwant dan veel eukaryoten onderling

c)

Archaea en bacteriën vormen samen één domein zonder splitsing

d)

Eukaryoten zijn altijd ouder dan archaea en bacteriën

40.

Welke procedure past het beste bij een DNA-gebaseerde indeling van onbekende organismen?

a)

Observeren van voedingswijze en groeperen per autotroof of heterotroof

b)

Sequencing van gedeelde genen en vergelijking van percentuele overeenkomsten

c)

Meten van celgrootte onder de microscoop en groeperen per afmeting

d)

Tellend het aantal celorganellen en rangschikken per functie

41.

Welke combinatie beschrijft het ontstaan van nieuwe soorten het best?

a)

Variatie, natuurlijke selectie en erfelijkheid werken samen

b)

Alleen erfelijkheid zonder selectie is voldoende

c)

Toevallige mutaties vervangen selectie volledig

d)

Natuurlijke selectie gebeurt zonder variatie of erfelijkheid

42.

Wat wordt bedoeld met erfelijkheid in evolutiecontext?

a)

Overdracht van kenmerken naar nakomelingen

b)

Verandering door omstandigheden zonder genen

c)

Verwerving van eigenschappen door gebruik

d)

Tijdelijke aanpassing door training

43.

Waarom kan variatie binnen een populatie cruciaal zijn bij milieuverandering?

a)

Alle varianten hebben exact gelijke fitness

b)

Variatie vermindert concurrentie en stopt selectie

c)

Variatie maakt selectie overbodig in populaties

d)

Sommige varianten overleven en planten zich vaker voort

44.

In een periode van langdurige droogte hebben giraffen met iets langere nekken meer bereik tot bladeren. Welke redenering past bij natuurlijke selectie?

a)

Korte nekken worden even vaak geselecteerd

b)

Ze krijgen vaker nakomelingen met langere nekken

c)

Eigenschappen veranderen doelgericht door wil

d)

Hun nek groeit levenslang steeds verder

45.

Welke stap is noodzakelijk om populaties uiteindelijk tot verschillende soorten te laten uitgroeien?

a)

Reproductieve isolatie tussen populaties

b)

Tijdelijke migratie zonder isolatie

c)

Gelijke voortplantingskans tussen allen

d)

Gelijke omgeving zonder selectie

46.

Stel dat een deelpopulatie giraffen naar een regio met lage struiken verhuist. Welke voorspelling is het meest logisch na vele generaties?

a)

Selectie kan kortere nekken bevoordelen daar

b)

Alle giraffen behouden identieke neklengte

c)

Erfelijkheid stopt door nieuwe omgeving

d)

Variatie verdwijnt volledig uit populatie

47.

Welke uitspraak corrigeert een veelvoorkomend misverstand over giraffenevolutie?

a)

Individuen passen zich niet doelgericht aan; selectie werkt op variatie

b)

Populaties evolueren alleen zonder erfelijkheid

c)

Giraffen rekten hun nek actief en erfden lengte

d)

Omgeving veroorzaakt direct langere nekken

48.

Wat geeft een grotere genetische afstand tussen twee soorten meestal aan?

a)

Een langere levensduur van individuen

b)

Een lagere mutatiesnelheid in beide lijnen

c)

Een oudere gemeenschappelijke voorouder

d)

Een recentere gemeenschappelijke voorouder

49.

Wat stelt een fylogenetische stamboom primair voor?

a)

Een diagram van evolutionaire verwantschap

b)

Een overzicht van anatomische functies

c)

Een tijdlijn van individuele levensfasen

d)

Een schema van ecologische niches

50.

Twee soorten vertonen weinig genetische verschillen. Welke conclusie is het best onderbouwd?

a)

Ze hebben zich onafhankelijk zonder voorouder ontwikkeld

b)

Ze zijn even nauw verwant aan alle andere soorten

c)

Ze hebben identieke mutatiesnelheden gehad

d)

Ze delen een vrij recente gemeenschappelijke voorouder

51.

In een stamboom splitsen twee takken af. Wat betekent dit voor de interpretatie?

a)

De takken delen een gemeenschappelijke voorouder

b)

De takken eindigen gelijktijdig in het heden

c)

Er is geen verwantschap tussen de takken

d)

De takken hebben gelijke populatiegroottes

52.

Je onderzoekt drie soorten: A en B verschillen in 5 mutaties, A en C in 18 mutaties. Welke hypothese is het meest waarschijnlijk?

a)

A en C hebben een recentere voorouder dan A en B

b)

A en B hebben een recentere voorouder dan A en C

c)

B en C ontstonden zonder gemeenschappelijke voorouder

d)

De mutaties zeggen niets over verwantschap

53.

Wat is biodiversiteit?

a)

De biodiversiteit is de gelijkheid aan leven op aarde. - Bij een zelfde biodiversiteit leven er veel gelijke organismen bij elkaar. - Bij een gelijke biodiversiteit leven er gelijke organismen bij elkaar.

b)

De biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven op aarde. - Bij een kleine biodiversiteit leven er veel verschillende organismen bij elkaar. - Bij een hoge biodiversiteit leven er veel verschillende organismen bij elkaar.

c)

De biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven op aarde. - Bij een grote biodiversiteit leven er veel verschillende organismen bij elkaar. - Bij een lage biodiversiteit leven er weinig verschillende organismen bij elkaar.

54.

Twee dieren behoren tot dezelfde soort als ze ...?

a)

op elkaar lijken

b)

hetzelfde gedrag vertonen

c)

nakomelingen kunnen krijgen

d)

vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

55.

Planten die met behulp van zonlicht energiearme stoffen omzetten in energierijke stoffen noem je

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten

56.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

57.

In de afbeelding kun je een stamboom zien van dieren. Ouasim en Kim doen een uitspraak over deze stamboom.

Ouasim: "De tandwalvissen en de baleinwalvissen behoren tot dezelfde soort."

Kim: "De zwijnen en pekari's zijn familie van elkaar."

Wie heeft/hebben er gelijk?

a)

Alleen Ouasim

b)

Alleen Kim

c)

Beide hebben gelijk

d)

Niemand heeft gelijk

58.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

59.

Kijk goed naar de afbeelding en maak de zin af. Dit zijn ...

a)

eencelligen en hebben geen celwand

b)

eencelligen en hebben een celwand

c)

meercelligen en hebben geen celwand

d)

meercelligen en hebben een celwand

60.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

61.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

62.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

63.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan fotosynthese doen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

64.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

65.

De organismen van deze afbeelding hebben ...

a)

een celwand en een vacuole

b)

een celwand en bladgroen

c)

alleen een celmembraan en een vacuole

d)

bladgroen en een vacuole

66.

Welke celkenmerken worden gebruikt bij ordening?

a)

celkern

b)

celwand

c)

bladgroenkorrels

d)

celmembraan

e)

cytoplasma

67.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

68.

Met DNA kan worden nagegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voorouder hebben.

a)
Waar
b)
Niet waar
69.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern.

Dit organisme is een

a)

dier

b)

plant

c)

bacterie

d)

schimmel

70.
Behoren steppezebra's (Equus quagga) en bergzebra's (Equus zebra) tot dezelfde biologische soort?
a)
Ja, want de soortnaam is hetzelfde
b)
Ja, want de familienaam is hetzelfde
c)
Nee, want de soortnaam is anders
d)
Nee, want de familienaam is anders