Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gen4.2 Thema 2 hoofdstuk 2 (tot bacterien)

Total questions: 100

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een kenmerk dat alle micro-organismen gemeen hebben?

a)

Ze zijn met het blote oog zichtbaar

b)

Ze bestaan altijd uit één enkele cel

c)

Ze zijn te klein om zonder hulpmiddel te zien

d)

Ze veroorzaken altijd ziekten bij mensen

2.

Welke drie grote groepen worden gebruikt om micro-organismen voorlopig te classificeren?

a)

Bacteriën, algen, wormen

b)

Eukaryoten, prokaryoten, virussen

c)

Planten, dieren, schimmels

d)

Protisten, insecten, paddenstoelen

3.

Wat is een correct onderscheid tussen eukaryoten en prokaryoten op celniveau?

a)

Prokaryoten hebben mitochondriën, eukaryoten niet

b)

Prokaryoten zijn altijd meercellig, eukaryoten ééncellig

c)

Eukaryoten hebben een celkern met membraan, prokaryoten niet

d)

Eukaryoten hebben geen DNA, prokaryoten wel

4.

Een leerling stelt: “Virussen zijn levende cellen zoals bacteriën.” Welke uitleg weerlegt dit het best?

a)

Virussen kunnen zelfstandig groeien op voedingsbodems

b)

Virussen voeren fotosynthese uit in chloroplasten

c)

Virussen missen eigen cellulaire structuur en gebruiken gastheercellen

d)

Virussen hebben een celwand met cellulose zoals planten

5.

Welke structuur zorgt voor beweging en voeding bij het pantoffeldiertje door een waterstroom te creëren langs de cel?

a)

De voedselvacuole in de celslokdarm

b)

De macronucleus in het cytoplasma

c)

De celanus aan het uiteinde van de cel

d)

De trilhaartjes langs de orale groeve

6.

Wat is de primaire functie van de kloppende vacuole bij het pantoffeldiertje?

a)

Het reguleren van waterbalans door water uit te pompen

b)

Het verteren van voedseldeeltjes in het cytoplasma

c)

Het sturen van cilia-bewegingen bij voortbeweging

d)

Het kopiëren van DNA tijdens celdeling

7.

Welke volgorde beschrijft correct de opname en vertering van voedsel bij het pantoffeldiertje?

a)

Orale groeve, celslokdarm, fagocytose, voedselvacuole

b)

Fagocytose, orale groeve, celanus, macronucleus

c)

Orale groeve, macronucleus, voedselvacuole, celanus

d)

Celslokdarm, kloppende vacuole, celanus, fagocytose

8.

Een student ziet dat een pantoffeldiertje in zoet water niet barst. Welke redenering verklaart dit het best?

a)

Voedselvacuolen absorberen al het binnenkomend water

b)

Cilia pompen water naar buiten bij osmose

c)

Macronucleus verlaagt osmotische druk actief

d)

Kloppen van vacuolen verwijdert overtollig water ritmisch

9.

Welke redenering verklaart waarom trilhaartjes efficiënte voortbeweging geven op microschaal?

a)

Gesynchroniseerde slagen leveren continue stuwkracht in water

b)

Willekeurige slagen vergroten wrijving en versnellen beweging

c)

Trilharen verminderen waterviscositeit rondom het organisme

d)

Cilia produceren zuurstofbellen die het dier voortduwen

10.

Welke structuur bij Euglena laat het organisme gericht naar licht toe bewegen?

a)

Een flagel met fotoreceptor en oogvlek

b)

Een vacuole met lichtgevoelige kern

c)

Een trilharenkrans zonder pigment

d)

Een celwand met chloroplastengordel

11.

Welke combinatie beschrijft het voedingsgedrag van Euglena het best?

a)

Alleen autotroof met alleen respiratie

b)

Detritivoor met opname via diffusie

c)

Alleen heterotroof via fermentatie van glucose

d)

Autotroof met fotosynthese en heterotroof via fagocytose

12.

Bij ongunstige afwezigheid van licht schakelt Euglena over op...

a)

Heterotrofe voeding door fagocytose van deeltjes

b)

Snellere fotosynthese door extra chlorofyl

c)

Ruststadium zonder energiebehoefte

d)

Beweging stoppen en water opnemen

13.

Orden de stappen bij ongeslachtelijke voortplanting van Euglena zoals in de reeks getoond: moedercel → ... → ... → ... → dochtercellen.

a)

Cytoplasma deelt zich → kern deelt zich → cellen versmelten

b)

Kern deelt zich → cytoplasma deelt zich → cellen splitsen

c)

Cytoplasma smelt samen → kern fuseert → cellen splitsen

d)

Kern lost op → celwand vormt → cellen splitsen

14.

Welke structuur stelt een amoebe in staat om voedseldeeltjes op te nemen?

a)

Flagellen die deeltje de cel in trekken

b)

Trilharen die deeltje naar de mondopening vegen

c)

Schijnvoetjes die deeltje omarmen bij fagocytose

d)

Contractiele filamenten die deeltje perforeren

15.

Wat is de functie van de kloppende vacuole bij eencelligen zoals amoebe en Euglena?

a)

Vormt ATP door oxidatieve fosforylering

b)

Breekt giftige stoffen af met enzymen

c)

Regelt waterhuishouding door overtollig water uit te pompen

d)

Slaat zetmeel op voor latere verbranding

16.

Welke structuur gebruiken amoeben primair voor voortbeweging en voedselopname?

a)

Cilia die gecoördineerd slaan voor stroming

b)

Pseudopodia die uitstromen en terugtrekken

c)

Flagellen die roterend duwen in water

d)

Contractiele vacuolen die water uitstoten

17.

Wat beschrijft het proces van fagocytose bij een amoebe het best?

a)

Opname van opgeloste stoffen via aquaporines

b)

Insnoering van membranen om exocytose te starten

c)

Omsluiten van een deeltje met pseudopodia en verteren

d)

Actieve pomp van ionen tegen de gradiënt in

18.

Welke uitspraak over de rol van protozoa in de voedselketen is het meest correct?

a)

Zij functioneren enkel in zuurstofrijke milieus

b)

Zij leven uitsluitend parasitair op zoogdieren

c)

Zij breken organisch materiaal af als detrivoren

d)

Zij zijn altijd autotroof en primaire producenten

19.

Welke optie koppelt een eigenschap van parasitaire protozoa aan het gevolg voor de mens?

a)

Autotrofie — verhoogt opname van zonlicht in weefsels

b)

Pseudopodia — versterken spiercontracties bij gastheren

c)

Fotosynthese — verlaagt suikerafbraak in de darmen

d)

Pathogeniciteit — kan ziekten veroorzaken bij infectie

20.

Een leerling observeert een amoebe die een voedseldeeltje insluit, verteert en daarna reststoffen uitscheidt. Welke redenering verklaart de volgorde het best?

a)

Pseudopodia vormen voedselvacuole, lysosomen verteren, afval via exocytose

b)

Contractiele vacuole vangt voedsel, ribosomen verteren, afval via endocytose

c)

Cilia slaan ritmisch, chloroplasten maken suikers, afval via osmose

d)

Flagel brengt deeltje binnen, kern splitst, afval via diffusie

21.

Welke organismengroep veroorzaakt malaria bij de mens?

a)

Een eencellige eukaryoot, Plasmodium

b)

Een meercellige worm, Schistosoma

c)

Een bacterie, Vibrio cholerae

d)

Een virus, Denguevirus

22.

Wat is in de malariacyclus de rol van de mens?

a)

Tussengastheer met aseksuele vermenigvuldiging

b)

Definitieve gastheer met seksuele fase

c)

Reservoirgastheer met slapende cysten

d)

Vector die parasiet overdraagt

23.

Waar vindt de seksuele voortplanting van Plasmodium plaats?

a)

In de mug, na opname van gameten

b)

In het speeksel van de mens, door fusie

c)

In de lever, door celdeling

d)

In de rode bloedcellen, door knopvorming

24.

Welke stap verklaart de terugkerende koorts bij malaria het best?

a)

Afbraak van witte bloedcellen

b)

Gelijktijdig openbarsten van rode bloedcellen

c)

Vermeerdering van muggenpopulaties

d)

Langzame groei van levercysten

25.

Welke bewering over microalgen is correct?

a)

Het zijn heterotrofe prokaryoten

b)

Het zijn dieren zonder chlorofyl

c)

Het zijn autotrofe eencellige eukaryoten

d)

Het zijn meercellige landplanten

26.

Wat onderscheidt microalgen van protozoa qua voeding?

a)

Microalgen nemen organische resten op

b)

Microalgen parasiteren in gastheren

c)

Microalgen fotosynthetiseren door chlorofyl

d)

Microalgen verteren voedsel extracellulair

27.

Welke eigenschap maakt de teelt van microalgen ecologisch gunstig?

a)

Zeer hoog vezelgehalte in biomassa

b)

Langzame groei met lage opbrengst

c)

Minimale stikstofverliezen in kweeksystemen

d)

Afhankelijkheid van vruchtbare landbouwgrond

28.

Welke uitspraak over de productieomgeving van microalgen is juist?

a)

Ze vereisen humusrijke bodems en zoet grondwater

b)

Ze groeien enkel in rivieren met stroming

c)

Ze kunnen groeien op onvruchtbare gronden en in zeewater

d)

Ze hebben schaduwrijke bossen op land nodig

29.

Welk kenmerk past het best bij microalgen?

a)

Heterotrofe eencellige virussen

b)

Autotrofe meercellige schimmels

c)

Heterotrofe meercellige prokaryoten

d)

Autotrofe eencellige eukaryoten

30.

Waarom worden microalgen industrieel geteeld?

a)

Ze zijn de belangrijkste consumenten

b)

Ze verminderen altijd alle voedingsstoffen

c)

Ze vormen een voornaamste groep producenten

d)

Ze maken water permanent zuurstofrijk

31.

Welke term beschrijft een plotselinge sterke groei van microalgen door nutriëntenrijk water?

a)

Denitrificatie van bodem

b)

Verwering van gesteente

c)

Biomagnificatie van gif

d)

Eutrofiëring van het water

32.

Wat is een direct gevolg van een dichte groene algenlaag aan het wateroppervlak?

a)

Minder licht en stilvallende fotosynthese

b)

Meer licht en extra fotosynthese

c)

Sterkere stroming en menging

d)

Lagere verdamping en wolkvorming

33.

Welke keten beschrijft het negatieve proces het best?

a)

Te weinig anorganische nutriënten → langzame algenbloei → zuurstofoverschot

b)

Te veel anorganische nutriënten → snelle algenbloei → zuurstoftekort

c)

Stabiele nutriëntenwaarde → constante algenbloei → warmteoverschot

d)

Te veel organische predatie → algenafname → stikstofoverschot

34.

Een vijver krijgt extra meststoffen uit de omgeving. Wat is de beste maatregel om massale vissterfte te voorkomen?

a)

Water volledig bedekken met plastic zeil

b)

Permanent fel licht op het water richten

c)

Dagelijks extra vissen uitzetten in de vijver

d)

Invoer van nutriënten beperken bij de bron

35.

Welke uitspraak over de milieu-impact van microalgen is het meest correct?

a)

Teelt heeft lage impact en voorkomt elke algenbloei

b)

Teelt heeft hoge impact en voorkomt elk zuurstoftekort

c)

Teelt heeft geen impact en verhoogt altijd biodiversiteit

d)

Teelt heeft lage impact, maar overmaat veroorzaakt zuurstofarm water

36.

Welke structuur bestaat uit een netwerk van ineengevlochten hyfen dat het grootste deel van een schimmel vormt?

a)

Vruchtlichaam boven grond

b)

Sporenzak in steel

c)

Sporenpluim in hoed

d)

Mycelium of zwamvlok

37.

Wat onderscheidt lagere schimmels van hogere schimmels op celniveau?

a)

Geen tussenschotten tussen hyfencellen

b)

Hyfen met chitinewanden

c)

Grote bovengrondse vruchtlichamen

d)

Geslachtelijke voortplanting alleen

38.

Welke uitspraak over saprotrofe schimmels is het meest correct?

a)

Ze gebruiken geen enzymen buiten cel

b)

Ze leven van dood organisch materiaal

c)

Ze leven uitsluitend als parasiet

d)

Ze fotosynthetiseren suikers zelfstandig

39.

Kies de juiste koppeling: voortplanting bij veel schimmels verloopt meestal ... en gebruikt ... die kunnen uitgroeien tot een nieuwe schimmel.

a)

Geslachtelijk, zaden

b)

Geslachtelijk, pollen

c)

Ongeslachtelijk, sporen

d)

Ongeslachtelijk, eicellen

40.

Welke functie heeft het vruchtlichaam (zoals een paddenstoel) bij hogere schimmels het best omschreven?

a)

Opslagorgaan voor water

b)

Sporendrager die sporen vrijlaat

c)

Weefsel voor stikstofbinding

d)

Hoofdplaats van fotosynthese

41.

Je vindt op brood zwarte bolletjes die bij aanraking loslaten. Welke redenering is het best onderbouwd?

a)

Het zijn gistcellen die knoppen vormen, zonder sporen

b)

Het zijn bacteriekolonies met flagellen, actief bewegend

c)

Het zijn zaden met kiemwit, verspreid door vogels

d)

Het zijn sporen in sporendragers, verspreiding door lucht

42.

In welke situatie is geslachtelijke voortplanting bij schimmels het meest waarschijnlijk en waarom?

a)

Bij droogteperiodes, sporen kiemen direct

b)

Bij overvloed aan voedsel, snelle klonering nodig

c)

Bij constante omstandigheden, energie wordt bespaard

d)

Bij ongunstige omstandigheden, genetische variatie helpt

43.

Welke uitspraak over gisten is juist?

a)

Gisten zijn meercelligen en behoren tot de archaea

b)

Gisten zijn eencelligen en behoren tot de bacteriën

c)

Gisten zijn meercelligen en behoren tot de prokaryoten

d)

Gisten zijn eencelligen en behoren tot de eukaryoten

44.

Wat gebeurt er bij knoopvorming (budding) bij gisten als eerste stap?

a)

Een uitstuiping met cytoplasma ontstaat op de moedercel

b)

De vacuole splitst eerst in twee delen

c)

De dochtercel vormt meteen een eigen celwand

d)

De moedercel verliest tijdelijk haar celkern

45.

Welke combinatie beschrijft fermentatie door gist het best?

a)

Opbouw van zetmeel uit glucose en koolzuur

b)

Afbraak van suikers tot alcohol en koolzuurgas

c)

Omzetting van eiwitten tot aminozuren en ammoniak

d)

Oxidatie van vetten tot water en zuurstofgas

46.

Bij ongunstige omstandigheden kunnen gisten ook geslachtelijk voortplanten. Wat is het belangrijkste voordeel hiervan?

a)

Snellere groei levert sneller energie op

b)

Meer genetische variatie verhoogt overlevingskansen

c)

Grotere cellen beschermen tegen uitdroging

d)

Minder energieverbruik per deling ontstaat

47.

Welke bewering over celdeling bij gisten is correct?

a)

De moedercel sterft direct na de deling af

b)

Elke deling vereist aanwezigheid van alcohol

c)

De gistcel deelt in twee identieke dochtercellen

d)

Er ontstaat één dochtercel zonder celkern

48.

Kies het voorbeeld dat direct het gevolg is van koolzuurgasproductie door gist.

a)

Camembert vormt schimmel aan de buitenkant

b)

Yoghurt krijgt een zuurdere smaak door azijn

c)

Het deeg van brood rijst en wordt luchtiger

d)

Tofu wordt steviger door stremming van eiwit

49.

Waarom blijft alcohol aanwezig in bier en wijn maar niet in gebakken brood?

a)

Bier en wijn hebben geen suikers; brood heeft suikers

b)

Bier en wijn worden niet verhit; brood wel verhit

c)

Bier en wijn gebruiken bacteriën; brood gebruikt schimmel

d)

Bier en wijn bevatten geen koolzuurgas; brood wel

50.

Welke uitspraak beschrijft een positieve rol van gisten in de voedingsindustrie?

a)

Ze maken voedsel onveilig door mycotoxinen

b)

Ze infecteren de luchtwegen met sporen

c)

Ze produceren ethanol bij fermentatieprocessen

d)

Ze veroorzaken bederf van granen en fruit

51.

Welke combinatie hoort bij een negatieve invloed van schimmels op de mens?

a)

Biergisting en CO2-vorming

b)

Candida-infecties en voetschimmel

c)

Kaasrijping en smaakvorming

d)

Antibioticaproductie en broodrijzing

52.

Waarom kan beschimmeld brood niet veilig worden opgegeten na het wegsnijden van de zichtbare schimmel?

a)

De schimmel groeit alleen op het oppervlak

b)

De schimmelsporen zijn voedzaam en onschadelijk

c)

De myceliumdraden kunnen dieper zijn doorgedrongen

d)

De warmte van de keuken doodt alle schimmels

53.

Welke maatregel verkleint het risico op voetschimmel in huidplooien?

a)

Crèmes met suikers aanbrengen

b)

Voeten zorgvuldig drogen na douchen

c)

Huid warm en vochtig houden

d)

Dagelijks occlusieve sokken dragen

54.

Een voedingsproducent wil alcoholvrij bier maken met gist. Welk proces moet gecontroleerd worden om ethanolvorming te beperken?

a)

Proteïnesynthese in gistcellen

b)

Fotosynthese in lichtcondities

c)

Anaerobe fermentatie van suikers

d)

Aerobe ademhaling bij hoge zuurstof

55.

Stachybotrys chartarum in woningen kan klachten geven. Welke eigenschap verklaart de verspreiding?

a)

Alleen overdracht via besmet voedsel

b)

Uitsluitend verspreiding via dierlijke gastheren

c)

Beperkte groei in droge koude lucht

d)

Vorming van sporen die door lucht bewegen

56.

Plantenvelden worden in natte periodes vaker aangetast door schimmels. Welke redenering is het meest logisch?

a)

Schimmels sterven bij hoge vochtigheid snel af

b)

Vocht bevordert snelle sporenvorming en kieming

c)

Regen verhindert het contact met plantencellen

d)

Water maakt planten immuun voor infecties

57.

Waarom zijn sommige schimmels cruciaal voor de geneeskunde?

a)

Ze leveren antibiotica en andere geneesmiddelen

b)

Ze voorkomen alle virale infecties automatisch

c)

Ze produceren uitsluitend schadelijke toxinen

d)

Ze vervangen het immuunsysteem volledig

58.

Welke eigenschap past het best bij prokaryote bacteriën?

a)

Hebben membraangebonden organellen

b)

Hebben circulair DNA in nucleïde

c)

Bezitten meerdere lineaire chromosomen

d)

Hebben kernomhulde genetische materie

59.

Wat is de functie van een capsule bij bacteriën?

a)

Energieproductie bij fotosynthese

b)

Bescherming tegen fagocytose

c)

Eiwitsynthese in ribosomen

d)

Beweging door chemotaxis

60.

Welke structuur zorgt primair voor voortbeweging bij veel bacteriën?

a)

Fimbriae aan het celoppervlak

b)

Flagellen met motorcomplex

c)

Pili voor DNA-uitwisseling

d)

Capsule van polysachariden

61.

Welke vorm hebben coccen en hoe kunnen ze zich rangschikken?

a)

Spiralen, alleen in ketens

b)

Rond, als paren of groepjes

c)

Komma’s, enkelvoudige cellen

d)

Staafjes, altijd solitair

62.

Welke beschrijving hoort bij bacillen?

a)

Rond of licht ovaal

b)

Komma‑achtig en gebogen

c)

Staafvormig of cilindrisch

d)

Spiraalvormig met kurkentrekkervorm

63.

Welke bacterie wordt vaak geassocieerd met Lyme en welke vorm heeft zij?

a)

Borrelia burgdorferi, spiraal

b)

Staphylococcus aureus, rond

c)

Vibrio cholerae, komma

d)

Bacillus subtilis, staaf

64.

Wat is een realistische preventiemaatregel tegen cholera?

a)

Insectenbeten vermijden steeds

b)

Handen wassen en veilig water

c)

Antibiotica bij elk drinkmoment

d)

Vaccin tegen griep toedienen

65.

Welke rangschikking past bij Staphylococcus aureus op de huid?

a)

Trosjes of groepjes

b)

Ketens van cellen

c)

Enkele solitair

d)

Paren van cellen

66.

Wat is het primaire doel van de Gramkleuring in de microbiologie?

a)

Bacteriën zichtbaar maken en indelen in twee groepen

b)

DNA-sequenties bepalen van onbekende bacteriën

c)

Vormen van kolonies onderscheiden op voedingsbodems

d)

Temperatuuroptimum meten van groeiende bacteriën

67.

Welke uitspraak beschrijft het best grampositieve bacteriën?

a)

Geen celwand maar wel een dubbele celmembraan

b)

Dikke celwand met meerdere lagen die kristalviolet vasthoudt

c)

Dikke celwand die kleurstof altijd volledig wegwast

d)

Dunne celwand met één laag en buitenste membraan

68.

Welke structuur komt typisch voor bij gramnegatieve bacteriën maar niet bij grampositieve?

a)

Chloroplasten voor fotosynthese

b)

Een buitenste membraan rond de celwand

c)

Een kernmembraan met lineair DNA

d)

Een dikke peptidoglycaanlaag

69.

Waarom is Gramkleuring nuttig bij het kiezen van een antibioticum?

a)

Celwandtype voorspelt gevoeligheid voor bepaalde middelen

b)

Gramnegatieven hebben altijd geen resistentiegenen

c)

Kristalviolet meet het zuurstofverbruik van cellen

d)

Kleurintensiteit toont bacteriegrootte en delingssnelheid

70.

Welke uitkomst verwacht je na Gramkleuring van een gramnegatieve bacterie?

a)

Geen kleurverandering wegens afwezigheid celwand

b)

Cel wordt zwart door inkapseling met jodium

c)

Paars wordt weggewassen en tegenkleuring kleurt de cel

d)

Paars blijft vastzitten in de dikke celwand

71.

Een arts krijgt twee monsters: A kleurt paars na Gramkleuring, B niet en toont een dunne celwand met buitenste membraan. Welke combinatie is correct?

a)

A is grampositief, B is gramnegatief

b)

A is gramnegatief, B is grampositief

c)

Beide zijn grampositief met dikke celwand

d)

Beide zijn gramnegatief zonder peptidoglycaan

72.

Wat is het belangrijkste verschil tussen autotrofe en heterotrofe bacteriën?

a)

Autotrofen maken organische stoffen uit anorganische stoffen

b)

Heterotrofen gebruiken uitsluitend stikstof als energiebron

c)

Autotrofen nemen alleen zuurstofgas uit hun omgeving op

d)

Heterotrofen zetten lichtenergie direct om in warmte

73.

Hoe noemt men de tijd die nodig is voor één celdeling bij bacteriën?

a)

Conjugatieduur of overdrachtstijd

b)

Verzamelperiode of groeifase

c)

Rustfase of latente fase

d)

Generatietijd of verdubbelingstijd

74.

Welke uitspraak over binaire splitsing bij bacteriën is correct?

a)

Elke dochtercel verliest de helft van het erfelijk materiaal

b)

Elke deling vereist twee oudercellen voor fusie

c)

Er ontstaan vier verschillende cellen na twee delingen

d)

Er ontstaan twee identieke dochtercellen na verdubbeling

75.

Een cultuur start met 1 bacterie en de generatietijd is 10 minuten. Welke trend beschrijft het beste de toename in 3 uur?

a)

Lineaire groei met constante toename per minuut

b)

Exponentiële groei met snelle toename na verloop

c)

Cyclische groei met regelmatige pieken en dalen

d)

Logistische krimp door onmiddellijke limitatie

76.

Welke bewering over bacteriële voortplanting en genetische uitwisseling is juist?

a)

Voortplanting is ongeslachtelijk; uitwisseling heet fotosynthese

b)

Voortplanting is geslachtelijk; deling vereist twee ouders

c)

Voortplanting is ongeslachtelijk; uitwisseling kan via conjugatie

d)

Voortplanting is geslachtelijk; uitwisseling gebeurt door mitose

77.

Tijdens conjugatie wordt genetisch materiaal verplaatst via een structuur. Hoe heet die verbinding?

a)

Desmosoombrug tussen plasmamembranen

b)

Flagellumslurf voor DNA-transport

c)

Poriecomplex van het celwandkanaal

d)

Conjugatiekanaal of pilus tussen beide cellen

78.

Sommige bacteriën delen elke 10 minuten, andere elke 16 uur. Wat is de meest waarschijnlijke impact daarvan op een voedselvergiftiging?

a)

Langzamer delende soorten produceren onmiddellijk toxines

b)

Beide delingssnelheden geven even snel symptomen

c)

Delingssnelheid bepaalt alleen de celgrootte en niet aantallen

d)

Sneller delende soorten veroorzaken sneller hoge aantallen

79.

Wat gebeurt er tijdens bacteriële conjugatie?

a)

Plasmiden veranderen in eiwitten

b)

Chromosomen lossen op in medium

c)

DNA wordt via pilus overgedragen

d)

Cellen smelten volledig samen

80.

Welk voordeel kan conjugatie bieden aan bacteriën in aanwezigheid van antibiotica?

a)

Vorming van endosporen tegen hitte

b)

Verlies van schadelijke plasmiden

c)

Overdracht van resistentiegenen

d)

Snellere opname van zuurstof

81.

Het pantoffeldiertje is een eencellig(e)

a)

bacterie

b)

plant

c)

dier

d)

schimmel

82.

Gist is een eencellige

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

83.

Paddenstoelen horen bij de

a)

bacterien

b)

schimmels

c)

planten

d)

dieren

84.

Kijk goed naar de afbeelding. Je ziet hier een celdeling van een bacterie. Deze bacterie deelt zich elke 20 minuten. Hoeveel bacteriën zijn er na 2 uur als 1 bacterie zich op deze manier steeds delen kan?

a)

8

b)

16

c)

32

d)

64

85.

Is de volgende stelling juist of onjuist:

Bacterien hebben een celkern.

a)

Juist

b)

Onjuist

86.

Bekijk de foto hiernaast. Welke onderdeel van de schimmel wordt met onderdeel 1 weergegeven ?

a)

De schimmeldraden

b)

De sporen

c)

De padenstoelen

d)

geslachtsorganen

87.

Bacterien bestaan uit meerdere cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

88.

Bacterien in je darmen helpen bij de vertering bij voedsel

a)

Juist

b)

Onjuist

89.

Stelling 1:Dina zegt dat sla kan bederven door bacteriën, het stinkt dan.

Stelling 2:Robin zegt dat bij de bereiding van yoghurt bacteriën worden gebruikt

Welke van de stellingen is juist ?

a)

Alleen stelling 1 is juist

b)

Alleen stelling 2 is juist

c)

Beide onjuist

d)

Beide juist

90.
Hoe planten bacteriën zicht voort?
a)
door knopvorming
b)
door deling 
c)
door zaadvorming
d)
met sporedraden
91.
Welke ziekte kan je krijgen van schadelijke bacteriën?
a)
griep
b)
cholera
92.

Protozoën, zoals amoebes, zijn ook micro-organismen. In welk rijk worden ze ingedeeld?

a)

Fungi

b)

Monera

c)

Protisten

d)

Dieren

93.

Vibrio cholerae is de bacterie die cholera kan veroorzaken. In welke afbeelding zijn deze bacteriën te zien?

a)
b)
c)
d)
94.

Bacteriën vermeerderen zich door

a)

geslachtelijke voortplanting

b)

binaire deling

c)

knopvorming

95.

Welke organismen zijn te zien in de afbeelding?

a)

schimmels

b)

Grampositieve kokken

c)

virussen

d)

gistcellen

96.

In welke afbeelding zijn streptokokken te zien?

a)
b)
c)
d)
97.

Beweeglijke bacteriën hebben altijd .....

a)

een kapsel

b)

een of meerdere flagellen

c)

pili

d)

plasmiden

98.

Welk gedeelte van een naam van een bacterie wordt met een hoofdletter geschreven?

a)

familienaam

b)

geslachtsnaam

c)

soortnaam

d)

ordenaam

99.

Waarmee kunnen bacterien worden bestreden?

a)

Voedsel

b)

Antibiotica

c)

Bladgroen

d)

Warmte

100.

Bestudeer aandachtig de foto. Via welke weg werd deze persoon besmet? (1 antwoord)

a)

via scheurtjes in een slijmvlies

b)

via een bijtwonde

c)

via een huidwonde

d)

via voedsel