Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Productcontactpunt

Total questions: 49

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het fundamentele verbod dat wordt ingesteld door artikel 34 VWEU?

a)

Verbod op douanerechten binnen de EU

b)

Verbod op kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking tussen lidstaten

c)

Verbod op prijsregulering van ingevoerde goederen

d)

Verbod op staatssteun aan importeurs

2.

Welk soort beperkingen op de uitvoer tussen lidstaten wordt verboden door artikel 35 VWEU?

a)

Alle fiscale maatregelen die export duurder maken

b)

Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking

c)

Alle technische normen die exportgoederen betreffen

d)

Alle licentievereisten voor export

3.

Welke van de volgende gronden kunnen volgens artikel 36 VWEU een uitzondering op de artikelen 34 en 35 rechtvaardigen? Selecteer alle juiste opties.

a)

Openbare zedelijkheid

b)

Openbare orde

c)

Bescherming van industriële en commerciële eigendom

d)

Economische doeltreffendheid

4.

Welke van de volgende gronden kunnen volgens artikel 36 VWEU een uitzondering op de artikelen 34 en 35 rechtvaardigen? Selecteer alle juiste opties.

a)

Openbare veiligheid

b)

Bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit

c)

Gezondheid en leven van personen, dieren of planten

d)

Handelsbalans

5.

Aan welke dubbele voorwaarde moeten verboden of beperkingen op basis van artikel 36 VWEU voldoen om geldig te zijn?

a)

Ze moeten economisch efficiënt en politiek aanvaardbaar zijn

b)

Ze mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen en geen verkapte beperking van de handel tussen lidstaten zijn

c)

Ze moeten door alle lidstaten unaniem worden goedgekeurd

d)

Ze moeten tijdelijk zijn en jaarlijks worden herzien

6.

Wat houdt het door het Hof van Justitie ontwikkelde beginsel van wederzijdse erkenning in?

a)

Lidstaten mogen alleen binnenlandse goederen verkopen

b)

Lidstaten mogen de verkoop van goederen die rechtmatig in een andere lidstaat in de handel zijn gebracht niet verbieden, tenzij een beperking gerechtvaardigd is op grond van artikel 36 VWEU of andere dwingende redenen van openbaar belang

c)

Alle goederen moeten voldoen aan identieke technische normen in alle lidstaten

d)

Export en import zijn vrij van elke nationale regel

7.

Op welke twee hoofdonderwerpen is Verordening (EU) 2019/515 van toepassing volgens artikel 2?

a)

Op diensten en vergunningverlening

b)

Op goederen die rechtmatig in een andere lidstaat in de handel zijn gebracht en op administratieve besluiten die daarover worden genomen

c)

Op fiscale harmonisatie en douaneprocedures

d)

Op staatssteun en mededingingsrecht

8.

Aan welke twee cumulatieve voorwaarden moet een administratief besluit voldoen om onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/515 te vallen?

a)

Het moet gebaseerd zijn op een nationaal technisch voorschrift en de markttoegang direct of indirect beperken of ontzeggen

b)

Het moet door een rechtbank worden genomen en een sanctie opleggen

c)

Het moet door de regering worden ondertekend en gepubliceerd in het staatsblad

d)

Het moet uitsluitend betrekking hebben op veiligheid en gezondheid

9.

Wat is de definitie van een nationaal technisch voorschrift volgens de verordening wederzijdse erkenning?

a)

Een politieke verklaring over marktbeleid

b)

Een internationale norm van CEN of ISO

c)

Een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat die verplichtingen, kenmerken of andere eisen voor goederen vastlegt

d)

Een contractuele afspraak tussen bedrijven

10.

Wat moet een bevoegde autoriteit onverwijld doen wanneer zij voornemens is goederen te beoordelen onder Verordening (EU) 2019/515?

a)

De beoordeling uitstellen tot na overleg met andere lidstaten

b)

De betrokken marktdeelnemer informeren over het voornemen tot beoordeling

c)

Een openbare consultatie openen

d)

Een importverbod instellen

11.

Welke drie specifieke zaken moet een bevoegde autoriteit aangeven bij de start van een beoordelingsprocedure volgens artikel 5(2)? Selecteer alle juiste opties.

a)

Welke goederen worden beoordeeld

b)

Het toepasselijke technische voorschrift

c)

De mogelijkheid om een verklaring van wederzijdse erkenning te verstrekken

d)

De maximale verkoopprijs van het product

12.

Wat is het belangrijkste voordeel voor een marktdeelnemer van het indienen van een verklaring van wederzijdse erkenning?

a)

De autoriteit moet versnelde goedkeuring geven

b)

De bevoegde autoriteit mag geen aanvullende informatie of bewijs eisen om te controleren of de goederen rechtmatig in een andere lidstaat in de handel zijn gebracht

c)

Het product is automatisch vrijgesteld van alle nationale regels

d)

Er wordt automatisch een vergunning verleend

13.

Welke twee aspecten beoordeelt een bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming volgens Verordening (EU) 2019/515?

a)

Of het product voldoet aan ISO-normen; of het bedrijf EU-vestiging heeft

b)

Of de goederen rechtmatig in een andere lidstaat in de handel zijn gebracht; en of de legitieme openbare belangen van de lidstaat van bestemming adequaat worden beschermd

c)

Of het product lokaal wordt geproduceerd; en of er subsidies beschikbaar zijn

d)

Of de verpakking tweetalig is; en of de douanerechten zijn betaald

14.

Welke twee voorwaarden moeten vervuld zijn voordat markttoegang voor rechtmatig in een andere lidstaat verhandelde goederen kan worden beperkt of ontzegd?

a)

Er moet een klacht van een concurrent zijn en het product moet nieuw zijn

b)

Het nationale technische voorschrift moet een legitiem openbaar belang dienen en de beperking of ontzegging moet evenredig zijn

c)

De minister moet persoonlijk instemmen en het parlement informeren

d)

De maatregel moet tijdelijk zijn en een evaluatieclausule bevatten

15.

Een administratief besluit dat markttoegang beperkt, mag niet gebaseerd zijn op het enkele feit dat de goederen het legitieme doel op een _____ manier bereiken dan de goederen in de lidstaat van bestemming.

a)

dezelfde

b)

andere

c)

onwettige

d)

traditionele

16.

Naast de gronden in artikel 36 VWEU, welke andere categorie van rechtvaardigingsgronden bestaat er, ontwikkeld door het Hof van Justitie?

a)

Schendingen van fundamentele rechten

b)

Beleidsdoelstellingen van de Commissie

c)

Dwingende eisen van openbaar belang

d)

Procedurele beginselen van wederzijdse erkenning

17.

Welke vijf specifieke elementen moet een administratief besluit volgens artikel 5(11) van Verordening 2019/515 minimaal bevatten?

a)

Een nationale technische regel, een rechtvaardigingsgrond, technisch of wetenschappelijk bewijs, een samenvatting van de argumenten van de marktdeelnemer, en een evenredigheidsbewijs

b)

Een nationale belastingregel, een economische analyse, een kosten-batenberekening, een consultatieverslag, en een milieueffectrapport

c)

Een politieke motivering, een ontwerpverordening, een impact assessment, een stakeholdermapping, en een risicomatrix

d)

Een proces-verbaal, een interne notitie, een auditrapport, een bestuursverslag, en een ministeriële toelichting

18.

Welke informatie over rechtsmiddelen moet een administratief besluit verplicht bevatten volgens artikel 5(12)?

a)

De namen van alle nationale rechters die bevoegd zijn

b)

De beschikbare rechtsmiddelen onder nationaal recht, de toepasselijke termijnen, en een verwijzing naar de mogelijkheid om SOLVIT en de procedure van artikel 8 te gebruiken

c)

Alle toekomstige wetswijzigingen die relevant kunnen zijn

d)

De statistieken over eerdere beroepen in vergelijkbare zaken

19.

Binnen welke termijn moet een administratief besluit worden aangemeld bij de Commissie en andere lidstaten via ICSMS?

a)

Onmiddellijk na ondertekening

b)

Uiterlijk 20 werkdagen nadat het besluit is genomen

c)

Binnen 6 maanden na bekendmaking

d)

Na afronding van eventuele gerechtelijke procedures

20.

In welke twee specifieke gevallen mag een bevoegde autoriteit de beschikbaarstelling van goederen op de markt tijdelijk opschorten volgens artikel 6?

a)

Wanneer goederen niet voldoen aan vrijwillige industrienormen of wanneer er concurrentieklachten zijn

b)

Wanneer er een ernstig risico is voor de veiligheid of gezondheid van personen of voor het milieu, of wanneer de goederen algemeen verboden zijn op grond van openbare zedelijkheid of veiligheid

c)

Wanneer een product niet in alle EU-talen is geëtiketteerd of wanneer importtarieven stijgen

d)

Wanneer een product in een andere lidstaat populairder is dan in de eigen lidstaat

21.

Wat is de procedurele vereiste na het instellen van een tijdelijke opschorting van goederen?

a)

De opschorting moet onmiddellijk via ICSMS worden gemeld aan de Commissie en de andere lidstaten

b)

De opschorting wordt alleen intern geregistreerd

c)

De opschorting vereist voorafgaande toestemming van het Europees Parlement

d)

De opschorting wordt pas gemeld na afloop van een nationale hoorzitting

22.

Onder welke twee voorwaarden is een afzonderlijke kennisgeving onder Verordening 2019/515 niet vereist als een maatregel al via RAPEX of RASFF is gemeld?

a)

Alleen als de maatregel tevens op sociale media is gepubliceerd en door een nationale ombudsman is bevestigd

b)

Alleen wanneer de kennisgeving voldoende bewijs bevat en expliciet aangeeft dat de maatregel betrekking heeft op goederen die onder wederzijdse erkenning vallen

c)

Alleen als het product door ten minste drie lidstaten is verboden en er een EU-richtlijn van toepassing is

d)

Alleen wanneer er een arrest van het Hof van Justitie bestaat over hetzelfde product

23.

Wat is SOLVIT?

a)

Een netwerk van nationale rechtbanken

b)

Een netwerk van centra in de lidstaten dat snelle, effectieve en informele oplossingen biedt voor problemen die burgers en bedrijven ondervinden met EU-rechten in de interne markt

c)

Een digitaal meldpunt voor douaneprocedures

d)

Een permanent comité van de Raad

24.

Wat is het belangrijkste verschil tussen de standaard SOLVIT-procedure en de speciale probleemoplossingsprocedure van artikel 8 van Verordening 2019/515?

a)

De artikel 8-procedure voorziet in de mogelijkheid voor een SOLVIT-centrum om de Commissie te verzoeken een advies uit te brengen over de verenigbaarheid van het administratieve besluit met het beginsel van wederzijdse erkenning

b)

De artikel 8-procedure is uitsluitend bedoeld voor douanegeschillen

c)

De standaardprocedure is juridisch bindend, de artikel 8-procedure niet

d)

De standaardprocedure vereist tussenkomst van het Europees Parlement

25.

Wanneer kan de specifieke probleemoplossingsprocedure van artikel 8 worden ingezet?

a)

Alleen wanneer er een gerechtelijk beroep loopt

b)

Alleen wanneer een marktdeelnemer meent dat bij SOLVIT behulpend administratief besluit is genomen in overeenstemming met artikel 5 van de Verordening

c)

Alleen wanneer een product afkomstig is uit een derde land

d)

Alleen wanneer het gaat om diensten in plaats van goederen

26.

Wie kan de Commissie verzoeken een advies uit te brengen in het kader van een artikel 8-procedure?

a)

Het inleidende SOLVIT-centrum (home centre) of het uitvoerende SOLVIT-centrum (lead centre)

b)

Alleen de nationale rechtbank

c)

Alleen de Raad van de Europese Unie

d)

De Europese Centrale Bank

27.

Wat beoordeelt de Commissie in haar advies op grond van artikel 8(2) van de Verordening?

a)

Of het nationale administratieve besluit verenigbaar is met het beginsel van wederzijdse erkenning en met de voorschriften van de Verordening

b)

Of de nationale autoriteit correct is georganiseerd

c)

Of de interne markt voldoende concurrentie kent

d)

Of het product voldoet aan alle vrijwillige Europese normen

28.

Binnen welke termijn moet de Commissie haar advies op grond van artikel 8 voltooien en uitbrengen?

a)

Binnen 15 werkdagen na ontvangst van het verzoek

b)

Binnen 45 werkdagen na ontvangst van het verzoek (exclusief de tijd om aanvullende informatie van de lidstaat te ontvangen)

c)

Binnen 90 dagen na publicatie in het Publicatieblad

d)

Binnen één jaar na de eerste SOLVIT-melding

29.

Welke status heeft een advies van de Commissie dat is uitgebracht in het kader van de artikel 8-procedure?

a)

Juridisch bindend en rechtstreeks afdwingbaar

b)

Niet juridisch bindend, maar moet worden meegewogen tijdens de SOLVIT-procedure

c)

Slechts een informele e-mail zonder betekenis

d)

Een wetgevingsvoorstel van de Commissie

30.

Wat is de rol van de Productcontactpunten (PCP's) zoals vastgelegd in artikel 9 van Verordening 2019/515?

a)

Zij beslissen over de geldigheid van nationale technische voorschriften

b)

Zij verstrekken kosteloos informatie aan marktdeelnemers en bevoegde autoriteiten over nationale technische voorschriften en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning

c)

Zij voeren inspecties uit in alle EU-lidstaten

d)

Zij registreren alle producten in een EU-database

31.

Welke drie specifieke soorten informatie moeten productcontactpunten op verzoek van een marktdeelnemer verstrekken?

a)

De tekst van nationale technische voorschriften

b)

De contactgegevens van bevoegde autoriteiten

c)

De beschikbare rechtsmiddelen en procedures

d)

Een prijslijst van nationale inspectiediensten

e)

Een overzicht van vrijwillige branchecodes

32.

Welk informatie- en communicatiesysteem moet worden gebruikt voor kennisgevingen van administratieve besluiten en tijdelijke opschortingen?

a)

Information and Communication System on Market Surveillance (ICSMS)

b)

Internal Market Information System (IMI)

c)

Schengen Information System (SIS)

d)

eCertis

33.

In welke gevallen is de Unie volgens artikel 3 VWEU exclusief bevoegd? Kies alle juiste antwoorden.

a)

Douane-unie

b)

Mededingingsregels voor de interne markt

c)

Monetair beleid voor de eurozone

d)

Instandhouding van biologische rijkdommen van de zee

e)

Gemeenschappelijke handelspolitiek

34.

Op welk rechtsgebied, relevant voor wederzijdse erkenning van goederen, hebben de Unie en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid volgens artikel 4 VWEU?

a)

De interne markt

b)

Buitenlands en defensiebeleid

c)

Consulaire bescherming van burgers

d)

Strafrechtelijke samenwerking

35.

Welke verordening werd ingetrokken door Verordening (EU) 2019/515 met ingang van 19 april 2020?

a)

Verordening (EG) nr. 764/2008

b)

Verordening (EU) nr. 1025/2012

c)

Verordening (EU) nr. 2017/2394

d)

Verordening (EG) nr. 765/2008

36.

Een administratief besluit moet de redenen voor het besluit bevatten op een wijze die voldoende wat is?

a)

Gedetailleerd en beargumenteerd

b)

Kort en niet-gesubstantieerd

c)

Algemeen en beleidsmatig

d)

Mondeling toegelicht

37.

Wat is het doel van Uniefinanciering zoals voorzien in overweging (48) van Verordening (EU) 2019/515?

a)

Het financieren van voorlichtingscampagnes, opleidingen en andere activiteiten om vertrouwen en samenwerking te verbeteren

b)

Het subsidiëren van productcertificering voor alle ondernemingen

c)

Het bekostigen van grenscontroles voor markttoezicht

d)

Het financieren van nationale wetgevingsprojecten

38.

Is het indienen van een zaak bij SOLVIT een vervanging voor een formele administratieve of gerechtelijke beroepsprocedure?

a)

Nee, SOLVIT is een informeel mechanisme en vervangt of schorst formele beroepsprocedures niet

b)

Ja, SOLVIT vervangt formele procedures volledig

c)

Alleen als beide lidstaten dat vooraf overeenkomen

d)

Ja, maar uitsluitend voor consumentenproducten

39.

Wat gebeurt er doorgaans met een lopende SOLVIT‑procedure wanneer de marktdeelnemer een gerechtelijke procedure start?

a)

Het SOLVIT‑centrum stopt de SOLVIT‑procedure

b)

De SOLVIT‑procedure loopt parallel zonder wijziging

c)

De Commissie neemt de zaak automatisch over

d)

Het SOLVIT‑centrum schorst enkel de termijnen

40.

Kan de Commissie in het kader van de artikel 8‑procedure aanvullende informatie of documenten opvragen via SOLVIT?

a)

Ja, via het relevante SOLVIT‑centrum kan aanvullende informatie of documenten worden opgevraagd

b)

Nee, aanvullende documentatie mag alleen via nationale rechtbanken worden gevraagd

c)

Alleen als de lidstaat van herkomst dat toestaat

d)

Ja, maar uitsluitend voor documenten met persoonsgegevens

41.

Is de Commissie verplicht een advies uit te brengen wanneer de SOLVIT‑zaak is opgelost voordat de beoordeling is afgerond?

a)

Nee, bij oplossing van de zaak bestaat geen verplichting om een advies uit te brengen

b)

Ja, de Commissie moet altijd een advies afronden

c)

Alleen als de marktdeelnemer dat verzoekt

d)

Alleen wanneer het besluit niet is ingetrokken

42.

Hoe wordt het advies van de Commissie in een artikel 8‑procedure verspreid?

a)

Via het SOLVIT‑centrum aan marktdeelnemer en autoriteiten, en via ICSMS aan alle lidstaten

b)

Alleen als persbericht op de website van de Commissie

c)

Uitsluitend aan de lidstaat van herkomst via e‑mail

d)

Alleen via publicatie in het Publicatieblad

43.

Welke bevoegdheid wordt aan de Raad gegeven door artikel 114, lid 4 VWEU nadat een harmonisatiemaatregel is vastgesteld?

a)

Een lidstaat kan onder voorwaarden nationale bepalingen handhaven die gerechtvaardigd zijn door gewichtige eisen van artikel 36 VWEU

b)

De Raad kan nationale markttoezichtautoriteiten vervangen

c)

Lidstaten moeten alle bestaande nationale bepalingen intrekken

d)

De Raad kan nationale sancties uniformeren zonder voorwaarden

44.

Wat is de algemene regel over discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van de Verdragen volgens artikel 18 VWEU?

a)

Discriminatie op grond van nationaliteit is verboden

b)

Discriminatie is toegestaan bij technische regelgeving

c)

Alleen indirecte discriminatie is verboden

d)

Discriminatie is toegestaan wanneer een lidstaat dat motiveert

45.

Op welke twee zaken moet de beoordeling van de evenredigheid van een administratief besluit berusten?

a)

Op de evenredigheid van de onderliggende nationale technische regel en op de specifieke omstandigheden van het geval

b)

Op de politieke doelstellingen van de regering en op budgettaire beperkingen

c)

Op algemene EU‑beginselen zonder casuïstische toets

d)

Op de voorkeur van de marktdeelnemer en van de autoriteit

46.

Valt een besluit van een bevoegde autoriteit dat is gebaseerd op EU‑harmonisatiewetgeving onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2019/515?

a)

Nee, de verordening geldt voor niet‑geharmoniseerde goederen

b)

Ja, alle besluiten vallen onder de verordening

c)

Alleen besluiten in de lidstaat van herkomst

d)

Ja, wanneer een product grensoverschrijdend wordt verhandeld

47.

Kan het ontbreken van regels voor een bepaald product in de lidstaat van herkomst een beletsel vormen voor het rechtmatig in de handel brengen?

a)

Nee, het ontbreken van regels kan betekenen dat het goed rechtmatig in de handel is gebracht en in aanmerking komt voor wederzijdse erkenning

b)

Ja, zonder regels is het product per definitie niet rechtmatig

c)

Alleen als de lidstaat van bestemming een strengere norm heeft

d)

Ja, tenzij de Commissie een uitzondering verleent

48.

Wie is verantwoordelijk voor het uploaden van het administratieve besluit en de bewijsstukken in het ICSMS‑systeem?

a)

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming die het besluit heeft genomen

b)

De marktdeelnemer die het product verhandelt

c)

Het SOLVIT‑centrum van de lidstaat van herkomst

d)

De Europese Commissie

49.

Welk Hof is bevoegd om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de geldigheid van handelingen van EU‑instellingen (artikel 267 VWEU)?

a)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie

b)

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

c)

Het Gerecht van de Europese Unie

d)

Het Benelux‑Gerechtshof