wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 Thema 9 Regeling herhaling

Total questions: 45

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

2.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

3.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

4.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

5.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

6.

Welke weg legt een prikkel die je waarneemt in je lichaam af?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuwen --> ruggenmerg --> hersenen

b)

Prikkel --> impuls --> zintuig --> ruggenmerg --> zenuwen --> hersenen

c)

Prikkel --> ruggenmerg --> impuls --> zintuig --> zenuwen --> hersenen

d)

Prikkel --> ruggenmerg --> impuls --> zenuwen --> zintuig --> hersenen

7.

Het knorren van je maag omdat je honger hebt is een voorbeeld van een ....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

8.

Het op rood springen van een stoplicht waardoor je gaat remmen is een voorbeeld van een....

a)

Uitwendige prikkel

b)

Inwendige prikkel

9.

Welke zin hoort bij het volgende begrip: prikkel

a)

Bereidheid tot verrichten van bepaald gedrag.

b)

Invloed uit de omgeving.

c)

Reactie op een prikkel.

d)

Vaste opeenvolging van handelingen waarbij het effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling.

10.

Welke van onderstaande klieren is GEEN hormoonklier.

a)

hypofyse

b)

speekselklieren

c)

bijnieren

d)

teelballen

11.

Welke hormoonklier reguleert de concentratie van bloedsuikers

a)

De geslachtsklieren

b)

De alvleesklier

c)

De bijschildklieren

d)

De hypofysevoorkwab

12.

Wat is de functie van hormonen?

a)

Hormonen regelen de werking van weefsels en organen die er gevoelig voor zijn.

b)

Hormonen verwerken impulsen die afkomstig zijn van zintuigcellen.

c)

Hormonen zorgen voor de voeding van veel hormoonklieren.

d)

Hormonen zorgen voor vaste, snelle reacties op bepaalde prikkels.

13.

Welke van de twee klieren is het meest waarschijnlijk een schildklier?

a)

Beide klieren

b)

Geen van beide klieren

c)

Klier 1

d)

Klier 2

14.

Wat zijn de algemene verschillen tussen het hormoonstelsel en het zenuwstelsel?

a)

Hormoonstelsel werkt snel, zenuwstelsel werkt traag

b)

Hormoonstelsel werkt traag, zenuwstelsel werkt snel

c)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op korte termijn, zenuwstelsel op lange termijn.

d)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op lange termijn, zenuwstelsel op korte termijn.

15.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose?

(a)  

16.

Welk hormoon wordt bij diabetes onvoldoende geproduceerd?

(a)  

17.

Adrenaline is een hormoon dat juist niet traag werkt, maar heel snel. Waar wordt adrenaline geproduceerd?

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

hypofyse

d)

Eilandjes van Langerhans

e)

teelballen

18.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

19.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

20.

Hoeveel delen hebben je hersenen?

a)

3

b)

2

c)

8

d)

4

21.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)

zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen

c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
22.

De kleine hersenen:

a)

vindt bewustwording plaats

b)

worden onbewuste levensprocessen geregeld

c)

regelen reflexen

d)

zorgen voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht

23.
De hersenstam:
a)
regelt onbewuste levensprocessen en reflexen
b)
coördineert bewegingen en evenwicht
c)

zet informatie vast in je geheugen

24.

Een gezond persoon doet de ice bucket challenge en gooit een emmer ijswater over zijn hoofd. Hij wordt zich bewust van de kou. In welk deel van de hersenen gebeurt dit?

a)

Grote hersenen

b)

Hersenstam

c)

Kleine hersenen

25.
Bij de hersenen bevat het buitenste gedeelte (de schors) veel.....
a)
Cellichamen van schakelcellen
b)
uitlopers van schakelcellen
c)
Zowel cellichamen als uitlopers van schakelcellen
26.

De kleine hersenen werken door alcohol minder goed. Iemand met veel alcohol in het bloed krijgt dan problemen met zijn evenwicht.

In de afbeelding is een doorsnede van de hersenen weergegeven.

Welke letter geeft de kleine hersenen aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

27.

Welke beschrijving van een stof die je hersenen beïnvloed word hier gegeven:
Geven je een ontspannend gevoel, maken je rustig en blij.

a)

Uppers

b)

Downers

c)

Trippers

d)

Medicijnen

28.

Welke beschrijving van een stof die je hersenen beïnvloed word hier gegeven:
Geven je energie en zelfvertrouwen.

a)

Uppers

b)

Downers

c)

Trippers

d)

Medicijnen

29.

Welke beschrijving van een stof die je hersenen beïnvloed word hier gegeven:
Verstoren je waarnemingen en veranderen je stemming.

a)

Uppers

b)

Downers

c)

Trippers

d)

Medicijnen

30.

Wat is tolerantie?

a)

Je hebt steeds meer van een stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

b)

Je hebt steeds minder van een stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

c)

Dat is een stofje wat je hersenen positief stimuleert.

d)

Dat je het gevoel hebt dat je niet meer zonder kunt.

31.

Wat is lichamelijke afhankelijkheid?

a)

Je hebt steeds meer van een stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

b)

Je krijgt ontwenningsverschijnselen als je met het middel stopt.

c)

Dat is een stofje wat je hersenen positief stimuleert.

d)

Dat je het gevoel hebt dat je niet meer zonder kunt.

32.

Wat is geestelijke afhankelijkheid?

a)

Je hebt steeds meer van een stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

b)

Je hebt steeds minder van een stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

c)

Dat is een stofje wat je hersenen positief stimuleert.

d)

Dat je het gevoel hebt dat je niet meer zonder kunt.

33.

Hier zie je de wervelkolom en het ruggenmerg.

Wat is de functie hier van de wervelkolom?

a)

Stevigheid bieden aan het ruggenmerg

b)

Vorm geven aan het ruggenmerg

c)

bescherming bieden aan het ruggenmerg

d)

Zorgen dat het ruggenmerg zich kan bewegen

34.

Waar liggen schakel(zenuw)cellen?

a)

In zijn geheel buiten het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuwstelsel

c)

Gedeeltelijk in en gedeeltelijk vlakbij het centrale zenuwstelsel

35.

Waar liggen de bewegingszenuwcellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuw stelsel

c)

de lichamen in het centrale zenuwstelsel de lange uitlopers door heel het lichaam

36.

de grijze stof in het ruggenmerg bestaat vooral uit cellichamen

a)

juist

b)

onjuist

37.

Hier zie je de wervelkolom en het ruggenmerg.

Wat is de functie hier van de wervelkolom?

a)

Stevigheid bieden aan het ruggenmerg

b)

Vorm geven aan het ruggenmerg

c)

bescherming bieden aan het ruggenmerg

d)

Zorgen dat het ruggenmerg zich kan bewegen

38.

Jan zegt: de grijze stof bevat cellichamen van schakelcellen.

An beweert: de grijze stof bevat cellichamen van bewegingszenuwcellen.

Wie heeft / hebben er gelijk?

a)

Alleen Jan

b)

Alleen An

c)

Beide

d)

Geen van beide

39.

het grijze stof bestaat vooral uit cellichamen

a)

juist

b)

onjuist

40.

Wat is een gemengde zenuw?

a)

deze bevat uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

b)

deze bevat cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Geen van beide

41.

Met welk nummer is het ruggenmerg aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

42.

Hoe heet onderdeel nummer 1?

a)

Zenuwknoop

b)

Gemengde zenuw

c)

Bewegingszenuw

d)

Gevoelszenuw

e)

Grijze stof

43.

Hoe heet onderdeel nummer 6?

a)

Zenuwknoop

b)

Witte stof

c)

Bewegingszenuw

d)

Gevoelszenuw

e)

Grijze stof

44.

Welke reflex treedt op bij het aanraken van een heet voorwerp?

a)

Slikreflex

b)

Hoestreflex

c)

Terugtrekreflex

d)

Pupilreflex

45.

Wat is de functie van de meeste reflexen?

a)

Beschermen van lichaam

b)

Bevorderen van denkprocessen

c)

Reguleren van lichaamstemperatuur

d)

Versterken van spieren