wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuurwetenschappen Trim 1

Total questions: 45

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Wat is nummer 2?

a)

Bloemen

b)

Stengel

c)

Bladeren

d)

Wortels

2.

Wat is nummer 4?

a)

Bloemen

b)

Stengel

c)

Bladeren

d)

Wortels

3.

De organen van de plant zijn : de bladeren, stengels, wortels en bloemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Op basis van kenmerken een naam aan een organisme geven = ....

a)

Met tabellen zoeken

b)

Opzoeken

c)

Determineren

5.
a)

Handnervig

b)

Veernervig

c)

Parallelnervig

d)

Hoofdnerf

6.
a)

Handnervig

b)

Veernervig

c)

Parallelnervig

d)

Hoofdnerf

7.

Ander woord voor aanpassingen =

a)

Vernieuwingen

b)

Adaptaties

c)

Veranderingen

d)

Determineren

8.

Klimop heeft om te kunnen klimmen

a)

Lange stengel

b)

Zuigwortels

c)

Grote bladeren

d)

Hechtwortels

9.

De brandnetel verdedigd zich met

a)

Brandharen

b)

Stekels

c)

Doorns

10.

Een plant kan uitdroging voorkomen door

a)

Zuigwortels

b)

Grote bladeren

c)

Kleine bladeren

d)

Brandharen

11.

Dieren kunnen zich verstoppen in de natuur door hun

a)

Schutkleur

b)

Pantser

c)

Vacht

d)

verstoptechnieken

12.

Dieren die jagen op prooien zijn

a)

Prooidieren

b)

Roofdieren

13.

Natuurlijke selectie =

a)

Best aangepaste overleven

b)

Mooie kleuren vacht

c)

Darwin

14.

De bruine vogels vallen niet op in het bos, ze zijn het beste aangepast. Dit is een voorbeeld van

a)

Schutkleur

b)

Natuurlijke selectie

c)

Determineren

15.

Een voedselketen start altijd met

a)

Consument

b)

Detritivoor

c)

Producent

d)

Reducent

16.

Dieren die de eerste verterende stap doen in een voedselweb.

a)

Consument

b)

Detritivoor

c)

Producent

d)

Reducent

17.

Dieren die andere dieren of planten eten.

a)

Consument

b)

Detritivoor

c)

Producent

d)

Reducent

18.

Dieren die andere dieren of planten eten.

a)

Consument

b)

Detritivoor

c)

Producent

d)

Reducent

19.

Een voorbeeld van een producent is :

a)

Muis

b)

Uil

c)

Koe

d)

Gras

20.

Verschillende voedselketens samen vormen een

a)

Connectie

b)

Voedselketens doorloper

c)

Voedselweb

d)

Voedselbron

21.

Duid aan : de consument

a)

Koe

b)

Klimop

c)

Regenworm

d)

Schimmel

22.

Duid aan : de reducent

a)

Koe

b)

Klimop

c)

Regenworm

d)

Schimmel

23.

Ruimtelijke voorstelling van een voedselketen is :

a)

Voedselpiramide

b)

Voedselweb

c)

Voedseldoorloper

d)

Voedselconnectie

24.

Een goede vorm van een voedselpiramide, wil zeggen dat er ecologisch evenwicht is.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Grote biodiversiteit, slecht ecologisch evenwicht

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

Duid ALLE abiotische factoren aan.

a)

De wind

b)

Temperatuur

c)

Bodemvochtigheid

d)

Dieren

27.

Welk meettoestel is dit?

a)

Hygrometer

b)

Anemometer

c)

Thermometer

d)

Lichtmeter

28.

Welk meettoestel is dit?

a)

Hygrometer

b)

Anemometer

c)

Thermometer

d)

Lichtmeter

29.

Welk meettoestel is dit?

a)

Hygrometer

b)

Anemometer

c)

Thermometer

d)

Lichtmeter

30.

Een mengsel

a)

1 soort deeltjes

b)

Meerdere soorten deeltjes

31.

Deeltjesmodel van een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

32.

Deeltjesmodel van een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

33.

Afstand tussen de deeltjes van een gas

a)

Ver van elkaar

b)

Dicht bij elkaar

c)

Tegen elkaar

34.

Afstand tussen de deeltjes van een vloeistof

a)

Ver van elkaar

b)

Dicht bij elkaar

c)

Tegen elkaar

35.

Veranderd altijd iets aan het aantal deeltjes bij een faseovergang

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Duid de aggregatietoestanden aan.

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gasvormig

d)

Faseovergang

e)

Waterdamp

37.

Snelheid van deeltjes van een vaste stof

a)

Heel snel bewegen

b)

Traag bewegen

c)

Trillen

38.

Snelheid van deeltjes van een gas

a)

Heel snel bewegen

b)

Traag bewegen

c)

Trillen

39.

Bij een temperatuurstijging gaat het volume van een gas toenemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

Bij een temperatuurstijging gaat het volume van een vaste stof toenemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

Als een stof een temperatuurdaling ondergaat, gaan de deeltjes meer gaan bewegen.

a)

Waar

b)

Niet waar

42.

De faseovergang van vast naar vloeibaar

a)

Stollen

b)

Smelten

c)

Verdampen

d)

Condenseren

43.

Faseovergang van een gas naar een vaste stof

a)

Condenseren

b)

Sublimeren

c)

Desublimeren

d)

Stollen

44.

De faseovergang van een gas naar een vloeistof

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Stollen

d)

Sublimeren

45.

De faseovergang van een vloeistof naar een gas

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Stollen

d)

Sublimeren