wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Geschiedenis (MRS)

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een stadstaat?

a)

Een heel land met vele grote steden

b)

Een dorp zonder eigen regels en bestuur

c)

Een stad met eigen gebied, regels en bestuur

d)

Een boerderij met velden en dieren

2.

Waarom lagen vroege Griekse dorpjes vaak op een hoge heuvel?

a)

Om zich beter te kunnen verdedigen

b)

Om dichter bij de zee te wonen

c)

Om meer water te kunnen drinken

d)

Om sneller te kunnen reizen

3.

Wat gebeurde er door betere landbouwtechnieken in de negende eeuw v.Chr.?

a)

De dorpen verhuisden naar andere landen

b)

De handel stopte en bleef heel klein

c)

Er kwamen minder gewassen en minder eten

d)

De oogsten groeiden en er kwam extra voedsel

4.

Welke stad veroverde een groot gebied omdat er weinig vruchtbare grond was?

a)

Korinthe vluchtte naar nieuwe bergen

b)

Thebe bouwde een grote muur

c)

Athene veroverde een groot eiland

d)

Sparta veroverde een groot gebied

5.

Waarom werd er niet één grote Griekse staat gevormd?

a)

Het bergachtige land maakte heersen over groot gebied moeilijk

b)

Iedereen sprak een andere vreemde taal

c)

De mensen wilden helemaal niet in steden wonen

d)

Er was geen water rond het land te vinden

6.

Wie was eerst de baas in veel Griekse stadstaten?

a)

Een koning maakte de belangrijkste beslissingen

b)

Een raad van kinderen maakte beslissingen

c)

Alle burgers stemden via briefjes

d)

Een handelaar koos elke maand regels

7.

Wat betekent het woord aristoi in het Grieks?

a)

De besten, een groep rijke krijgers

b)

De boeren, een groep harde werkers

c)

De priesters, een groep tempeldienaren

d)

De handelaars, een groep slimme kooplui

8.

Welke verandering heet aristocratie in de stadstaten?

a)

De handelaren sloten alle markten vroeg

b)

De macht verschoof van de koning naar aristoi

c)

De burgers kozen elke week een koning

d)

De soldaten mochten geen wapens meer dragen

9.

Wat moest een Griekse krijger zelf kopen volgens de tekst?

a)

Zijn eigen wapens en uitrusting

b)

Een groot stuk vruchtbare grond

c)

Een huis op de hoogste heuvel

d)

Een schip om handel te drijven

10.

Welke staatsvorm was aan het eind van de achtste eeuw v.Chr. zeldzaam in Griekenland?

a)

De monarchie kwam nog maar weinig voor

b)

De theocratie werd in elke stad gebruikt

c)

De democratie was overal verdwenen

d)

De aristocratie bestond bijna nergens meer

11.

Wat hadden de machtige bestuurders vaak in het oude Griekenland?

a)

Alleen huizen zonder akkers

b)

Geen land en weinig spullen

c)

Kleine tuinen zonder helpers

d)

Veel land en slaven die werkten

12.

Wie waren de meeste mensen volgens de tekst?

a)

Rijke handelaar met schepen

b)

Reizende kunstenaar met beelden

c)

Bekende schrijver van wetten

d)

Slaaf of boer in armoede

13.

Waarom steunden arme boeren soms een tiran?

a)

Hij verbood hen om te oogsten

b)

Hij stuurde hen weg uit dorpen

c)

Hij vroeg hogere belastingen aan hen

d)

Hij beloofde schulden kwijt te schelden

14.

Wat kreeg het gewone volk soms van tirannen in die tijd?

a)

Gratis reizen naar koloniën

b)

Nieuwe kleding en sieraden

c)

Graan en meer gelijkheid

d)

Goudbeelden en juwelen

15.

Hoe bleef een tiran vaak aan de macht?

a)

Door tegenstanders te onderdrukken

b)

Door alle wetten te schrappen

c)

Door het leger helemaal te stoppen

d)

Door elke maand te stemmen

16.

Wat is een kolonie volgens de tekst?

a)

Een nieuwe nederzetting overzee

b)

Een markt in de stadsmuren

c)

Een tempel voor de goden

d)

Een akker naast het huis

17.

Waarom stuurden stadstaten rond 750 v.Chr. mensen weg?

a)

Er was te weinig vruchtbare grond

b)

Er waren te veel lege tempels

c)

Er waren te veel feestdagen

d)

Er was een grote goudvondst

18.

Hoe kwam voedsel uit koloniën in Griekenland?

a)

Te voet via lange wegen

b)

Per schip over zee gebracht

c)

Met dieren door bossen

d)

Met wagens door woestijnen

19.

Waar vestigden kolonisten zich vaak?

a)

Op eilanden van de Atlantische Oceaan

b)

Langs Middellandse Zee en Zwarte Zee

c)

Ver in het binnenland van Azië

d)

Diep in bergen van Noord-Europa

20.

Wat namen kolonisten mee naar nieuwe steden?

a)

Grieks schrift en bouwstijl

b)

Egyptisch schrift en goden

c)

Perzische taal en kleding

d)

Romeins geld en rechten

21.

Wie brachten de Griekse cultuur naar nieuwe plekken via kolonies?

a)

Perzische koningen en wachters

b)

Egyptische schrijvers en priesters

c)

Romeinse soldaten en boeren

d)

Griekse kolonisten en handelaars

22.

Wat kochten de Grieken van de Etrusken volgens de tekst?

a)

Hout en ijzer uit Italië

b)

Zilver en goud uit Lydië

c)

Wol en graan uit Sparta

d)

Papyrus en linnen uit Egypte

23.

Wat verkochten de Grieken aan hun handelspartners?

a)

Zout en hout meestal

b)

Koren en wol meestal

c)

Wijn en olijfolie vaak

d)

Paarden en koper vaak

24.

Welk volk gebruikte munten en leerde de Grieken daarover?

a)

De Spartanen met schelpen

b)

De Etrusken zonder munten

c)

De Lydiërs met munten

d)

De Farao's met staven

25.

Wat namen de Grieken over van de Feniciërs?

a)

Het Chinese papier

b)

Het Romeinse recht

c)

Het Fenicische alfabet

d)

Het Indische caste

26.

Wie waren bekende zeevaarders die kolonies stichtten en goederen vervoerden?

a)

De Scythen uit de steppe

b)

De Perzen uit Azië

c)

De Macedoniërs uit het noorden

d)

De Feniciërs uit Libanon

27.

Wat verscheen in Lydië volgens het stukje?

a)

Egyptische piramides kwamen daar

b)

Spartaanse forten kwamen daar

c)

Griekse tempels kwamen daar

d)

Romeinse wegen kwamen daar

28.

Wat kon in de handel soms gebeuren tussen culturen?

a)

Misverstanden ontstonden soms

b)

Oorlogen stopten altijd

c)

Talen werden meteen één

d)

Prijzen bleven altijd vast

29.

Wie verdreef de aristocraten uit Athene in 546 v.Chr.?

a)

Alexander met ruiters

b)

Perikles met soldaten

c)

Solon zonder hulp

d)

Peisistratos met steun

30.

Wat deed Peisistratos om armen te helpen in Athene?

a)

Verhoogde belastingen sterk

b)

Verbood handel met buren

c)

Gaf macht aan aristocraten

d)

Verdeelde grond onder armen

31.

Wat betekent het woord ‘democratie’ in Athene?

a)

Priesters maken alle regels

b)

Alleen soldaten beslissen samen

c)

Eén koning heeft alle macht

d)

Het volk heeft de macht

32.

Wie telden in het oude Athene als burgers?

a)

Alle inwoners en slaven

b)

Alle mannen en vrouwen

c)

Kinderen en ouderen

d)

Vrije volwassen mannen

33.

Waar kwamen Atheense burgers samen om te stemmen?

a)

In een marktkraam

b)

In een volksvergadering

c)

In een tempelplein

d)

In een paleiszaal

34.

Hoeveel burgers zaten in de Atheense raad die vergaderingen voorbereidde?

a)

Vijfhonderd burgers

b)

Duizend burgers

c)

Honderd burgers

d)

Tien burgers

35.

Wat kregen burgers om deelname te stimuleren?

a)

Een vergoeding voor meedoen

b)

Een gouden kroon

c)

Nieuwe kleding en schoenen

d)

Gratis land en huizen

36.

Welke groepen waren geen burgers in Athene?

a)

Soldaten en atleten

b)

Rijke handelaars

c)

Boeren en vissers

d)

Vrouwen en slaven

37.

Welk type democratie hadden de Atheners?

a)

Directe democratie

b)

Verstopte democratie

c)

Koninklijke democratie

d)

Schoolse democratie

38.

Wie bestuurden Sparta volgens de tekst?

a)

Burgers in een kring

b)

Eén tiran alleen

c)

Twee koningen en een raad

d)

Priesters met orakels

39.

Wat vonden Spartanen van de Atheense democratie?

a)

Ze leerden die op school

b)

Ze kopieerden die

c)

Ze bewonderden die

d)

Ze vonden die niets

40.

Wat leerden Atheense jongens uit rijke families?

a)

Lezen schrijven en spreken

b)

Boogschieten in bossen

c)

Alleen vechten en rennen

d)

Koken en stoffen wassen

41.

Welke twee Griekse stadstaten worden het vaakst genoemd als tegenstanders?

a)

Sparta en Korinthe

b)

Athene en Thebe

c)

Athene en Sparta

d)

Thebe en Delphi

42.

Wie viel Griekenland binnen en verwoestte veel gebieden in de 5e eeuw v.Chr.?

a)

De Egyptenaren uit het Zuiden

b)

De Romeinen uit het Westen

c)

De Perzen uit het Oosten

d)

De Vikingen uit het Noorden

43.

Wat was een belangrijk onderdeel van de opvoeding van Spartaanse jongens?

a)

Lange muzieklessen en dans

b)

Zware training en strenge regels

c)

Vroege handel en rekenen

d)

Vrij spelen zonder regels

44.

Waarin waren de Atheners vooral sterk tijdens de oorlogen?

a)

Bouwen van hoge muren

b)

Gebruiken van olifanten

c)

Rijden met strijdwagens

d)

Vechten op zee met schepen

45.

Wat wilden de Grieken samen doen toen de Perzen aanvielen?

a)

Alleen Sparta laten vechten

b)

Naar het westen verhuizen

c)

Elkaar aanvallen voor meer land

d)

Samenwerken om de vijand te verslaan

46.

Wat beloofden bondgenoten van Athene te geven voor de vloot?

a)

Goud voor tempels

b)

Paarden en wagens

c)

Kleding en potten

d)

Geld voor schepen en soldaten

47.

Hoe probeerde Athene sterker te worden in het bondgenootschap?

a)

Alle oorlogen vermijden

b)

Geen schepen meer bouwen

c)

Minder belastingen betalen

d)

Meer beslissingen zelf nemen

48.

Waarom richtte Sparta een eigen bondgenootschap op?

a)

Om met Perzië handel te drijven

b)

Om te voorkomen dat Athene de sterkste werd

c)

Om nieuwe goden te vereren

d)

Om de zeeweg naar Egypte te sluiten

49.

Hoe heet de grote oorlog tussen de twee Griekse kampen die in 431 v.Chr. begon?

a)

De Trojaanse Oorlog

b)

De Punische Oorlog

c)

De Peloponnesische Oorlog

d)

De Macedonische Oorlog

50.

Waar kwamen de Perzen oorspronkelijk vandaan volgens de tekst?

a)

Uit het Midden-Oosten

b)

Uit West-Europa

c)

Uit Noord-Afrika

d)

Uit Noord-Europa

51.

Wie bouwden de havenstad Piraeus om voedsel naar Athene te brengen?

a)

De Atheners bouwden de havenstad Piraeus

b)

De Spartanen bouwden de havenstad Piraeus

c)

De Romeinen bouwden de havenstad Piraeus

d)

De Perzen bouwden de havenstad Piraeus

52.

Waardoor konden de Atheners standhouden achter de stadsmuren?

a)

Ze sloten vriendschap met Sparta

b)

Ze verborgen zich in de bergen

c)

Ze hadden meer soldaten dan Sparta

d)

Er kwam voedsel over zee binnen

53.

Na hoeveel bijna volle oorlogsjaren gaven de Atheners zich over?

a)

Na bijna zeven oorlogsjaren

b)

Na bijna drie oorlogsjaren

c)

Na bijna tien oorlogsjaren

d)

Na bijna twee oorlogsjaren

54.

In welk jaar gaven de Atheners zich over volgens de tekst?

a)

In 404 v.Chr. volgens de tekst

b)

In 338 v.Chr. volgens de tekst

c)

In 490 v.Chr. volgens de tekst

d)

In 146 v.Chr. volgens de tekst

55.

Wie kreeg de macht nadat Athene zich overgaf?

a)

Rome kreeg toen de macht

b)

Piraeus kreeg toen de macht

c)

Athene kreeg toen de macht

d)

Sparta kreeg toen de macht

56.

Bleef de macht van Sparta heel lang duren na de overgave?

a)

Nee, dat duurde niet lang

b)

Nee, die begon nooit

c)

Ja, dat duurde heel lang

d)

Ja, voor altijd lang

57.

Wat gebeurde er steeds opnieuw tussen de Griekse stadstaten?

a)

Er werd nooit meer gevochten

b)

Er werden grote tempels gebouwd

c)

Er waren weer oorlogen tussen hen

d)

Er werden alleen feesten gehouden

58.

Wat wilden de Griekse stadstaten in de oorlogen vaak doen?

a)

Ze wilden elkaar verslaan

b)

Ze wilden samen reizen

c)

Ze wilden alleen ruilen

d)

Ze wilden nieuwe goden

59.

Wanneer keerde de rust weer terug volgens de tekst?

a)

In de tweede helft van de vierde eeuw v.Chr.

b)

Aan het einde van de tweede eeuw v.Chr.

c)

In de eerste helft van de derde eeuw v.Chr.

d)

Aan het begin van de vijfde eeuw v.Chr.

60.

Waarvoor zorgde de havenstad Piraeus volgens de tekst?

a)

Dat er voedsel in Athene bleef komen

b)

Dat de muren hoger werden

c)

Dat alle schepen wegbleven

d)

Dat Sparta geen leger meer had