Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Landschapsvormende lagen (en voorkennis reliëf)

Total questions: 40

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn landschapsvormende lagen?

a)

Elementen die het landschap vormen

b)

Soorten gewassen

c)

Menselijke invloeden

d)

Dieren in het landschap

2.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

3.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

4.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

5.

Wat zie je op de foto?

a)

grijsbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

6.

Wat zie je op de foto?

a)

groenbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

7.

Wat zie je op de foto?

a)

groenbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

8.

In grote steden (zoals New York) heb je vooral ...

a)

hoogbouw

b)

laagbouw

c)

lintbebouwing

d)

verspreide bebouwing

9.

In kleine dorpen (zoals Sint-Amands) heb je vooral ...

a)

hoogbouw

b)

laagbouw

c)

wolkenkrabbers

10.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

11.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

12.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

13.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

14.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

15.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

16.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

17.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

18.

Wat is een landschap?

a)

Alleen de natuur die je buiten ziet

b)

De omgeving die je om je heen ziet, met zowel natuurlijke als menselijke elementen

c)

Alleen gebouwen en wegen

d)

Een gebied zonder menselijke invloed

19.

Wat is geen landschapselement?

a)

een brug

b)

een boom

c)

de wolken

d)

de straat

20.

Welk soort landschapselement is dit?

a)

natuurlijk landschapselement

b)

menselijk landschapselement

21.

Welk soort landschapselement is dit?

a)

natuurlijk landschapselement

b)

menselijk landschapselement

22.

Welk soort landschap is dit?

a)

Natuurlandschap

b)

Cultuurlandschap

23.

Welk soort landschap is dit?

a)

Natuurlandschap

b)

Cultuurlandschap

24.

Welk soort landschap is dit?

a)

Natuurlandschap

b)

Cultuurlandschap

25.

Welk soort landschap is dit?

a)

Natuurlandschap

b)

Cultuurlandschap

26.

Duid de NATUURLIJKE landschapsvormende lagen aan.

a)

reliëf

b)

vegetatie

c)

landbouw

d)

infrastructuur

27.

Duid de MENSELIJKE landschapsvormende lagen aan.

a)

reliëf

b)

vegetatie

c)

landbouw

d)

infrastructuur

28.

Wat is het verschil tussen bodem en ondergrond?

a)
Bodem is de laag voor dieren; ondergrond is de laag voor mineralen.
b)
Bodem is de laag onder de grond; ondergrond is de lucht boven.
c)
Bodem is de bovenste laag voor plantengroei; ondergrond zijn de lagen daaronder.
d)
Bodem is de ondergrond voor water; ondergrond is de bovenste laag.
29.

In een landschap heb je twee soorten/groepen landschapsvormende lagen. Duid deze aan.

a)

menselijke LVL

b)

natuurlijke LVL

c)

industriële LVL

d)

culturele LVL

30.

Wat is het belangrijkste kenmerk van een cultuurlandschap?

a)

Het bevat alleen water

b)

Het is gevormd door menselijke activiteiten

c)

Het is volledig natuurlijk

31.

Welke van de volgende elementen is een voorbeeld van een natuurlijk landschapselement?

a)

Een weg

b)

Een gebouw

c)

Een rivier

32.

Wat is een voorbeeld van een menselijke invloed op het landschap?

a)

Een bos

b)

Een landbouwgebied

c)

Een berg

33.

Welke reliëfvorm is dit?

a)

vlakte

b)

berg

c)

heuvel

d)

plateau

34.

Welke reliëfvorm is dit?

a)

heuvel

b)

berg

c)

vlakte

d)

plateau

35.

Welke plaats op deze map ligt het hoogste?

a)

Het noorden

b)

Het oosten

c)

Het zuiden

d)

Het westen

36.

Wat kun je zeggen over de horizon?

a)

Recht

b)

Gebogen

c)

kantig

d)

er is geen horizon

37.

Hoeveel bedraagt het verschil tussen de hoogtelijnen?

(a)  

38.

Wat kun je zeggen over de helling?

a)

Zwak

b)

Matig

c)

Steil

d)

Er is geen helling

39.

Welke reliëfvorm herken je hier?

a)

Vlakte

b)

plateau

c)

heuvel

d)

Gebergte

40.

Wat kun je zeggen over de reliëfstructuur van een gebied met veel rivieren?

a)

Het heeft vaak heuvels en dalen

b)

Het is altijd bergachtig

c)

Het is meestal vlak

d)

Het is volledig gecultiveerd