Search Header Logo
Basis 2 woordsoorten

Basis 2 woordsoorten

Assessment

Presentation

Other

1st - 2nd Grade

Practice Problem

Medium

Created by

Sandra Melchers

Used 14+ times

FREE Resource

8 Slides • 37 Questions

1

Basis 2 woordsoorten

By Sandra Melchers

2

Uitleg

Lees goed de theorie voor je vragen maakt.

  • Zo leer je de verschillende onderdelen.

  • Zo kun je de opdrachten maken.

Heb je straks meer dan 65% goed, dan mag je wat voor jezelf doen.

Some text here about the topic of discussion

3

lidwoorden

De lidwoorden zijn:

de-het-een​

Subject | Subject

Some text here about the topic of discussion

4

Multiple Choice

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin:

Door de gigantische regenbuien hadden we last van een grote lekkage.

1

0

2

1

3

2

4

3

5

Multiple Choice

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin:

Om 6 uur gaat de wekker en moet de vuilnisman aan het werk.

1

0

2

1

3

2

4

3

6

Multiple Choice

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin:

Op het lege schoolplein staan stinkende vuilnisbakken.

1

0

2

1

3

2

4

3

7

Zelfstandige naamwoorden

Dat zijn woorden voor:

  • Mensen, dieren, planten, dingen.

  • Namen (zoals Utrecht, Action, Hanneke, Maas, Noorwegen).

Je kunt er meestal een lidwoord voor zetten.

Je kunt er meestal een verkleinwoord van maken.

Je kunt er meestal één of meer van maken.​

8

Multiple Choice

Wat is een zelfstandig naamwoord?

1

slordige

2

schrift

9

Multiple Choice

Wat is een zelfstandig naamwoord?

1

werkt

2

Mercedes

10

Multiple Choice

Wat is een zelfstandig naamwoord?

1

tijger

2

voor

11

Multiple Choice

Wat is een zelfstandig naamwoord?

1

dankzij

2

onweersbui

12

Multiple Choice

Wat is een zelfstandig naamwoord?

1

Fatima

2

groene

13

Poll

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in:

Door de gigantische regenbuien hadden we last van een grote lekkage.

door, van

gigantische, grote

de, een

regenbuien, lekkage

14

Multiple Choice

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in:

Om 6 uur gaat de wekker en moet de vuilnisman aan het werk.

1

uur, wekker

2

uur, wekker, vuilnisman

3

uur, wekker, vuilnisman, werk

4

gaat, moet

15

Multiple Choice

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in:

Op het lege schoolplein staan stinkende vuilnisbakken.

1

op

2

het

3

lege

4

schoolplein, vuilnisbakken

16

Bijvoegelijke naamwoorden

Het bijvoeglijk naamwoord voegt iets bij het zelfstandige naamwoord:

de racewagen> de gele racewagen> de racewagen is geel.

de metselaar> de slordige metselaar> de metselaar is slordig.

​de patiënt> de zieke patiënt> de patiënt is ziek.

17

Multiple Choice

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

1

de

2

op

3

aardige

4

kraanwagen

18

Multiple Choice

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

1

van

2

het

3

zonnebloem

4

kleine

19

Multiple Choice

Waar staat een bijvoeglijk naamwoord?

1

De regen lekt door het dak.

2

Het lek wordt gemaakt.

3

De lekke bal gooi ik weg.

20

Multiple Choice

Wat zijn de bijvoeglijk naamwoorden in:

Door de gigantische regenbuien hadden we last van een grote lekkage.

1

door, van

2

gigantische, grote

3

regenbuien, lekkage

4

hadden

21

Multiple Choice

Wat is het bijvoeglijke naamwoord in:

Om 6 uur gaat de wekker en moet de vuilnisman aan het werk.

1

6

2

uur, wekker

3

de, het

4

Er staat geen bijvoeglijk naamwoord in.

22

Multiple Choice

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in:

Op het lege schoolplein staan stinkende vuilnisbakken.

1

op, staan

2

lege, stinkende

3

het

4

schoolplein, vuilnisbakken

23

Voorzetsels

  • ​Woorden die een plaats aangeven.

    • in, op, naast, met, van, tussen, onder, boven (...de kast)

  • Woorden die een tijd aangeven.

    • om, na, voor, vanaf (... 6 uur), tijdens, gedurende (...de wedstrijd), tussen 6 en 7 uur.

  • Woorden die een reden aangeven.

    • door, vanwege, dankzij (...het noodweer).

24

Multiple Choice

Wat is een voorzetsel?

1

met

2

Jumbo

3

groene

25

Multiple Choice

Wat is een voorzetsel?

1

snelle

2

Max Verstappen

3

van

26

Multiple Choice

Wat is een voorzetsel?

1

wolf

2

paardebloem

3

door

27

Multiple Choice

Wat is een voorzetsel?

1

van

2

gewonnen

3

winst

28

Werkwoorden

Woorden die aangeven welke handeling plaatsvindt. Jullie kennen al de persoonsvorm, het hele werkwoord en het voltooid deelwoord.

Nu mag je dat allemaal gewoon ​werkwoorden noemen.

Je kunt van het woord een ik-vorm, jij-vorm en wij-vorm van maken.​

Subject | Subject

Some text here about the topic of discussion

29

Fill in the Blanks

Type answer...

30

Multiple Choice

Wat zijn de werkwoorden in:

Om 6 uur gaat de wekker en moet de vuilnisman aan het werk.

Let op: werk is hier een zelfstandig naamwoord het werk.

1

gaat

2

gaat, moet

3

gaat, moet, werk

4

wekker, vuilnisman

31

Multiple Choice

Wat zijn de werkwoorden in:

Op het lege schoolplein staan stinkende vuilnisbakken.

1

op

2

lege, stinkende

3

staan

4

schoolplein, vuilnisbakken.

32

Multiple Choice

Wat zijn:

de-het-een

1

lidwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

33

Multiple Choice

Wat zijn:

door-na-van-met

1

lidwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

34

Multiple Choice

Wat zijn:

Fiat-storm-Noordzee-madeliefje

1

bijvoeglijke naamwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

35

Multiple Choice

Wat zijn:

sterke-lieve-vervelende-krachtige

1

bijvoeglijke

naamwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

36

Multiple Choice

Wat zijn:

dankzij-vanwege-gedurende

1

bijvoeglijke

naamwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

37

Multiple Choice

Wat zijn:

maakt-gegeten-hadden-geweest

1

bijvoeglijke

naamwoorden

2

zelfstandige naamwoorden

3

werkwoorden

4

voorzetsels

38

Multiple Choice

Wat is het woordje was in deze zin:

De was hangt buiten te drogen.

1

zelfstandig naamwoord

2

bijvoeglijk naamwoord

3

werkwoord

39

Multiple Choice

Wat is het woordje was in deze zin:

Ze was vergeten de deur op slot te doen.

1

zelfstandig naamwoord

2

bijvoeglijk naamwoord

3

werkwoord

40

Multiple Choice

Wat is het woordje ben in deze zin?

Ik ben op tijd naar school gegaan.

1

lidwoord

2

werkwoord

3

zelfstandig naamwoord

41

Hoeveel % heb je goed?

  • 65% of meer> iets voor jezelf doen

  • minder dan 65%> numo

Overleg je resultaat met de lerares.

42

Multiple Choice

Wat is het woordje ben in deze zin?

Ze geeft Ben een nieuwe sleutelhanger.

1

lidwoord

2

werkwoord

3

zelfstandig naamwoord

43

Multiple Choice

Waarvan is dit de uitleg:

​Woorden die een plaats aangeven.

in, op, naast, met, van, tussen, onder, boven (...de kast)

Woorden die een tijd aangeven.

om, na, voor, vanaf (... 6 uur), tijdens, gedurende (...de wedstrijd), tussen 6 en 7 uur.

Woorden die een reden aangeven.

door, vanwege, dankzij (...het noodweer).

1

lidwoorden

2

werkwoorden

3

voorzetsels

4

zelfstandige naamwoorden

44

Multiple Choice

Waarvan is dit de uitleg:

Het voegt iets bij het zelfstandige naamwoord:

de racewagen> de gele racewagen> de racewagen is geel.

de metselaar> de slordige metselaar> de metselaar is slordig.

​de patiënt> de zieke patiënt> de patiënt is ziek.

1

lidwoorden

2

werkwoorden

3

bijvoeglijke naamwoorden

4

zelfstandige naamwoorden

45

Multiple Choice

Waarvan is dit de uitleg:

de-het-een

1

lidwoorden

2

werkwoorden

3

bijvoeglijke naamwoorden

4

zelfstandige naamwoorden

Basis 2 woordsoorten

By Sandra Melchers

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 45

SLIDE