Search Header Logo
Het voornamelijk bijwoord

Het voornamelijk bijwoord

Assessment

Presentation

World Languages

KG

Medium

Created by

Hella Bouman

Used 13+ times

FREE Resource

7 Slides • 31 Questions

1

Het voornamelijk bijwoord

By Hella Bouman

2

​Het object van een werkwoord met een prepositie kunnen we vervangen door 'er + prepositie'

Zoeken naar

Ik zoek naar mijn sleutels.​ Ik zoek ernaar.

Praten over​

Ze praat over het weekend. Ze praat erover.​

3

Soms verandert de prepositie.

met ​- mee

naar - naartoe (richting)

uit - vandaan (plaats)​

van - vandaan (in een andere richting gaan)​

We werken met een nieuwe computer. We werken ermee.​

Ik ga naar het strand. Ik ga ernaartoe.

Hij komt uit Israël. Hij komt ervandaan.​

Ga weg van het vuur! Ga ervandaan.​

4

Tussen de ER en de prepositie staan vaak andere woorden.

De ER blijft - bij het werkwoord in de hoofdzin

- bij het subject in de bijzin.

Ik denk over een oplossing.

Ik denk erover.

Ik denk al weken over een oplossing.​

Ik denk er al weken over.

Het klopt dat ik al weken over een oplossing denk.​

Het klopt dat ik er al weken over denk.​

5

Multiple Choice

Question image

We wachten sinds tien minuten op een reactie

1

we wachten erop sinds tien minuten.

2

we wachten sinds tien minuten erop.

3

we er wachten op sinds tien minuten.

4

we wachten er sinds tien minuten op.

6

Multiple Choice

Question image

Hij geniet enorm van zijn nieuwe boek.

1

Hij er geniet enorm van.

2

Hij ervan geniet enorm.

3

Hij geniet er enorm van.

4

Hij geniet ervan enorm.

7

Multiple Choice

Question image

Onze docent gaat binnenkort met het vliegtuig naar Azië.

1

Ze gaat er binnenkort met het vliegtuig naar.

2

Ze gaat er binnenkort met het vliegtuig naartoe.

3

Ze gaat ernaartoe binnenkort met het vliegtuig.

4

Ze gaat ernaar binnenkort met het vliegtuig.

8

Multiple Choice

Question image

Ik heb altijd al een hekel aan afwassen gehad.

1

Ik heb er altijd al een hekel aan gehad.

2

Ik heb eraan altijd al een hekel gehad.

3

Ik heb er altijd een hekel gehad aan.

4

Ik heb altijd al een hekel eraan gehad.

9

Multiple Choice

Question image

Het gebeurt iedere maand dat ik uren naar de volle maan kijk.

Het gebeurt iedere maand dat...

1

ik ernaar uren kijk.

2

ik er uren naar kijk.

3

ik naar er uren kijk.

4

ik kijk er uren naar.

10

Multiple Choice

Question image

Hij heeft nog steeds geen beslissing genomen over zijn toekomst.

1

hij heeft erover nog steeds geen beslissing genomen.

2

hij heeft er nog steeds geen beslissing genomen over.

3

hij heeft er nog steeds geen beslissing over genomen.

4

hij heeft er nog steeds over geen beslissing genomen.

11

Multiple Choice

Question image

Ze komt oorspronkelijk uit Sidney.

1

Ze komt er oorspronkelijk uit.

2

Ze komt er oorspronkelijk vandaan.

12

Multiple Choice

Question image

De muis loopt de doos uit/loopt uit de doos.

1

De muis loopt ervandaan.

2

De muis loopt eruit.

13

Multiple Choice

Question image

Hij rent zo snel als hij kan van het wespennest.

1

Hij rent er zo snel als hij kan vandaan.

2

Hij rent zo snel als hij kan ervandaan.

3

HIj rent ervandaan zo snel als hij kan.

14

Multiple Choice

Question image

Ik veeg de vloer met een bezem.

1

Ik veeg ermee de vloer.

2

Ik veeg er de vloer mee.

3

Ik veeg de vloer ermee.

15

Multiple Choice

Question image

We gingen vroeger regelmatig terug naar onze geboortestad.

1

we gingen ernaar vroeger terug. regelmatig

2

we er gingen naar vroeger regelmatig terug.

3

we gingen er vroeger regelmatig naar terug.

4

we gingen vroeger er regelmatig naar

terug.

16

Er, hier, daar...​

We gebruiken hier voor dingen die dichtbij zijn en daar voor dingen die verder weg zijn.

Ik kijk goed naar dit boek. Ik kijk hier goed naar.

We zochten die sleutel maanden. We zochten daar al maanden naar.​

17

Multiple Choice

Question image

Heb je al naar deze kleurencombinatie gekeken?

1

Heb je ernaar al gekeken?

2

Heb je er al naar gekeken?

3

Heb je hiernaar al gekeken?

4

Heb je hier al naar gekeken?

18

Multiple Choice

Question image

Vroeger werkte ik met zo'n hele oude naaimachine.

1

Ik werkte er vroeger mee.

2

Ik werkte daar vroeger mee.

3

Ik werkte hier vroeger mee.

19

Multiple Choice

Question image

We zijn heel blij met ons nieuwe kantoor.

1

We zijn er heel blij mee.

2

We zijn hier heel blij mee.

3

We zijn daar heel blij mee.

20

Multiple Choice

Question image

We zijn heel enthousiast over deze printer.

1

We zijn er heel enthousiast over.

2

We zijn hier heel enthousiast over.

3

We zijn daar heel enthousiast over.

21

Multiple Choice

Question image

Ik heb nog nooit met dat systeem gewerkt.

1

Ik heb er nog nooit mee gewerkt.

2

Ik heb hier nog nooit mee gewerkt.

3

Ik heb daar nog nooit mee gewerkt.

22

Multiple Choice

Question image

Hé, kom je uit Johannesburg? Mijn buurman komt ook uit Johannesburg!

1

Mijn buurman komt er ook vandaan!

2

Mijn buurman komt hier ook vandaan!

3

Mijn buurman komt daar ook vandaan!

23

Multiple Choice

Question image

Nee, ik kom niet uit Johannesburg, ik kom uit Moskou.

1

Nee, ik kom er niet vandaan.

2

Nee, ik kom hier niet vandaan.

3

Nee, daar kom ik niet vandaan.

24

Multiple Choice

Question image

Ina: we gaan op vakantie naar Barcelona.

Roberto: oh, wat toevallig! ...

1

Ik ga er ook naar.

2

Hier ga ik ook naar.

3

Ik ga daar ook naar.

4

Daar ga ik ook naartoe.

25

Multiple Choice

Question image

We kijken op de plattegrond.

1

We kijken erop.

2

We kijken hierop.

3

We kijken daarop.

26

Er, hier en daar gebruiken we voor dingen.

Voor mensen en dieren gebruiken we de prepositie + het personaal pronomen.

Ik kijk naar het programma. Ik kijk ernaar.

Ik kijk naar de man. Ik kijk naar hem.​

We werken met deze computer.​ We werken hiermee.

We werken met deze man. We werken met hem.​

​Ze wil alles weten over die schilderijen. Ze wil daar alles over weten.

Ze wi​l alles weten over die dieren. Ze wil alles over ze weten.

27

Multiple Choice

Question image

Hij flirt met zijn nieuwe buurvrouw.

1

Hij flirt ermee.

2

Hij flirt hiermee.

3

Hij flirt daarmee.

4

Hij flirt met haar.

28

Multiple Choice

Question image

De hond rent met een stok in zijn bek.

1

De hond rent ermee in zijn bek.

2

De hond rent hiermee in zijn bek.

3

De hond rent daarmee in zijn bek.

4

De hond rent met hem in zijn bek.

29

Multiple Choice

Question image

Ze speelt met haar hond.

1

Ze speelt ermee.

2

Ze speelt hiermee.

3

Ze speelt daarmee.

4

Ze speelt met hem.

30

Multiple Choice

Question image

Ze willen niet over hun problemen praten.

1

Ze willen er niet over praten.

2

Ze willen hier niet over praten.

3

Ze willen daar niet over praten.

4

Ze willen niet over hen praten.

31

Multiple Choice

Question image

Het is verboden om eten te geven aan de struisvogels.

1

Het is verboden om er eten aan te geven.

2

Het is verboden om hier eten aan te geven.

3

Het is verboden om daar eten aan te geven.

4

Het is verboden om eten aan ze te geven.

32

Multiple Choice

Question image

Ze roddelen over Anna, hun nieuwe collega.

1

Ze roddelen erover.

2

Ze roddelen hierover.

3

Ze roddelen daarover.

4

Ze roddelen over haar.

33

Er komt ná het werkwoord in de hoofdzin of ná het subject in de bijzin.

De prepositie komt aan het eind van de zin, (voor het 2e werkwoord)

Hier en daar kunnen ook aan het begin van de zin staan.​

Ik praat er niet graag over. Ik wil er niet over praten.​

Het klopt dat ik er niet over wil praten.​

Ik praat daar niet graag over. Ik wil daar niet over praten.

Daar praat ik niet graag over.​ Daar wil ik niet over praten.

Daarover praat ik niet graag.​ Ik wil daar niet over praten.

Het klopt dat ik daar niet graag over praat.

Het klopt dat ik daar niet over wil praten.​

34

Multiple Select

Question image

Kies de goede optie(s).

Hij heeft raketten in die oren.

1

Hij heeft daar raketten in.

2

Daar heeft hij raketten in.

3

Daarin heeft hij raketten.

4

Hij heeft raketten daarin.

35

Multiple Select

Question image

Kies de goede optie(s).

Hij vliegt met een ballon de ruimte in.

1

Hij vliegt er met een ballon in.

2

Hij vliegt erin met een ballon.

3

Erin vliegt hij met een ballon.

4

Hij vliegt met een ballon erin.

36

Multiple Select

Question image

Kies de goede optie (s).

Ze roddelen waarschijnlijk over die onverwachte promotie van Ellen.

1

Daar roddelen ze waarschijnlijk over.

2

Daarover roddelen ze waarschijnlijk.

3

Ze roddelen waarschijnlijk daarover.

4

Ze roddelen daarover waarschijnlijk.

37

Multiple Select

Question image

Zie je dat ik verschillende objecten op dit plaatje heb getekend?

Zie je dat...

1

ik hier verschillende objecten op heb getekend?

2

ik hierop verschillende objecten heb getekend?

3

ik verschillende objecten hierop heb getekend?

4

hier ik verschillende objecten op heb getekend?

38

Multiple Select

Question image

De hond likt met zijn lange tong aan de pannenkoek.

1

Hij likt eraan met zijn lange tong.

2

Hij likt met zijn lange tong eraan.

3

Hij likt er met zijn lange tong aan.

Het voornamelijk bijwoord

By Hella Bouman

Show answer

Auto Play

Slide 1 / 38

SLIDE