

A1 Ja-/nee-vragen niet/geen
Presentation
•
World Languages
•
Professional Development
•
Practice Problem
•
Medium
p.kolthof89@gmail.com p.kolthof89@gmail.com
Used 1+ times
FREE Resource
19 Slides • 20 Questions
1
Ja-/nee-vragen
2
Hoofdzinnen
Jij wilt een kopje koffie.
Jullie zwemmen in de zee.
Zij kopen brood bij de bakker.
3
Vraagzinnen
Jij wilt een kopje koffie.
Jullie zwemmen in de zee.
Zij kopen brood bij de bakker.
Een vraag begint met het werkwoord. Het antwoord is dan altijd ja of nee.
Wil jij een kopje koffie?
Zwemmen jullie in de zee?
Kopen zij brood bij de bakker?
4
Antwoord geven met ja
Wil jij een kopje koffie?
Zwemmen jullie in de zee?
Kopen zij brood bij de bakker?
Let op: heeft de vraag jij of jullie, dan is het antwoord met ik of wij.
Ja, ik wil een kopje koffie.
Ja, wij zwemmen in de zee.
Ja, zij kopen brood bij de bakker
5
Ja, ik koop sokken.
Ja, jij koopt sokken.
Ja, ik koop sokken.
Ja, wij kopen sokken.
Ja, jullie kopen sokken.
Antwoord
Koop jij sokken?
Koop ik sokken?
Koopt u sokken?
Kopen jullie sokken?
Kopen wij sokken?
Vraag
6
Ja, hij koopt sokken.
Ja, zij koopt sokken.
Ja, zij kopen sokken.
Antwoord
Koopt hij sokken?
Koopt zij sokken?
Kopen zij sokken?
Vraag
7
Ja, dat zijn jouw sokken.
Ja, ik koop jullie sokken.
Antwoord
Zijn dat mijn sokken?
Koop jij onze sokken?
Vraag
8
Je = de mensen
Soms zeggen we je, maar we bedoelen de mensen, iedereen. Dan mag je wel met je antwoorden.
Mag je hier 100 km per uur rijden? --> Ja, je mag hier 100 km per uur rijden.
Kun je hier koekjes kopen? --> Ja, je kunt hier koekjes kopen.
Dit doen we vaak bij moeten, mogen of kunnen.
9
Wat is het antwoord?
Je ziet een vraag. Jij krijgt de vraag. Wat antwoord je?
10
Multiple Choice
Eet jij een ijsje?
Ja, jij eet een ijsje.
Ja, ik eet een ijsje.
Ja, een ijsje.
11
Multiple Choice
Wil je suiker in de koffie?
Ja graag, ik wil suiker
Ja, jij wilt suiker.
Ja, suiker graag.
12
Multiple Choice
Is jouw auto kapot?
Ja, jouw auto is kapot.
Ja, kapot.
Ja, mijn auto is kapot.
13
Multiple Choice
Heeft zij kinderen?
Ja, hij heeft kinderen.
Ja, zij hebben kinderen.
Ja, zij heeft kinderen.
14
Multiple Choice
Sporten jullie vaak?
Ja, wij sporten vaak.
Ja, jij sport vaak.
Ja, jullie sporten vaak.
15
Multiple Choice
Hangt mijn jas aan de kapstok?
Ja, mijn jas hangt aan de kapstok.
Ja, jouw jas hangt aan de kapstok.
Ja, jouw jas hangt.
16
Maak een goede vraag
Zet de woorden in de goede volgorde en maak een vraagzin.
17
Reorder
Maak een vraag.
wilt
u
een
koekje
18
Reorder
Maak een vraag.
ligt
de sleutel
in
de keuken
19
Drag and Drop
20
Drag and Drop
21
Spreken
Je ziet een antwoord. Wat is de vraag?
23
Antwoorden met nee
24
Antwoord geven met nee
Wil jij een kopje koffie?
Zwemmen jullie in de zee?
Kopen zij brood bij de bakker?
Nee, ik wil geen kopje koffie.
Nee, wij zwemmen niet in de zee.
Nee, zij kopen geen brood bij de bakker
25
Niet of geen?
Je gebruikt geen bij:
1. een
2. meervoud zonder de/het/een
3. je kunt het niet tellen
Ik koop een trui.
Ik koop sokken.
Ik koop rijst.
Ik koop geen trui.
Ik koop geen sokken.
Ik koop geen rijst.
26
Kies: niet of geen
27
Multiple Choice
Ik heb ... auto.
niet
geen
28
Multiple Choice
De bank is ... blauw.
niet
geen
29
Multiple Choice
Er is ... brood.
niet
geen
30
Multiple Choice
Zij werkt ... in een restaurant.
niet
geen
31
Multiple Choice
Ik wil ... glas wijn.
niet
geen
32
Multiple Choice
Hij draagt ... schoenen.
niet
geen
33
Wat is het antwoord?
Je ziet een vraag. Jij krijgt de vraag. Wat antwoord je?
34
Multiple Choice
Wil jij een kopje koffie?
Nee, ik wil niet een kopje koffie.
Nee, ik wil geen kopje koffie.
Nee, jij wilt geen kopje koffie.
35
Multiple Choice
Eten de kinderen vis?
Nee, de kinderen eten geen vis.
Nee, de kinderen eten niet vis.
Nee, de kinderen eten vis.
36
Multiple Choice
Mag je hier snel rijden?
Nee, je mag hier niet snel rijden.
Nee, je mag hier geen snel rijden.
Nee, mag niet hier snel rijden.
37
Multiple Choice
Begrijp je de vraag?
Nee, ik begrijp geen vraag.
Nee, ik begrijp de vraag niet.
Nee, jij begrijpt de vraag niet.
38
Spreken
Je ziet een vraag. Geef antwoord met nee.
Ja-/nee-vragen
Show answer
Auto Play
Slide 1 / 39
SLIDE
Similar Resources on Wayground
32 questions
h11 3 borden begrijpen
Presentation
•
Professional Development
28 questions
Seminari Parenteral
Presentation
•
University
35 questions
Kijken met middeleeuwse ogen
Presentation
•
12th Grade
28 questions
Professionalisering CV opmaken
Presentation
•
University
31 questions
dürfen
Presentation
•
KG - University
38 questions
Schritt 70 Relativsatz im Nominativ
Presentation
•
Professional Development
36 questions
Test 4 - Grammatica
Presentation
•
Professional Development
34 questions
1918. gada 18. novembris
Presentation
•
KG
Popular Resources on Wayground
20 questions
Math Review
Quiz
•
3rd Grade
15 questions
Fast food
Quiz
•
7th Grade
20 questions
Context Clues
Quiz
•
6th Grade
20 questions
Inferences
Quiz
•
4th Grade
19 questions
Classifying Quadrilaterals
Quiz
•
3rd Grade
20 questions
Figurative Language Review
Quiz
•
6th Grade
20 questions
Equivalent Fractions
Quiz
•
3rd Grade
10 questions
Identify Fractions, Mixed Numbers & Improper Fractions
Quiz
•
3rd - 4th Grade
Discover more resources for World Languages
20 questions
Guess The App
Quiz
•
KG - Professional Dev...
10 questions
Food Quiz
Quiz
•
Professional Development
11 questions
NFL Football logos
Quiz
•
KG - Professional Dev...
19 questions
Minecraft
Quiz
•
6th Grade - Professio...
20 questions
Block Buster Movies
Quiz
•
10th Grade - Professi...
40 questions
Flags of the World
Quiz
•
KG - Professional Dev...
23 questions
super heros
Quiz
•
KG - Professional Dev...
11 questions
SOCCER PLAYERS AND TEAMS
Quiz
•
KG - Professional Dev...