wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Economie & Recht H5.3 t/m H7.2

Total questions: 49

Worksheet time: 2hrs 38mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een voordeel van hoge inflatie?
a)
De bedrijfswinsten stijgen
b)
De koopkracht daalt
c)
De bedrijfswinsten stijgen
d)
De spaarrente stijgt
2.
Wat is een nadeel van hoge inflatie?
a)
De koopkracht daalt
b)
De koopkracht stijgt
c)
De bedrijfswinsten stijgen
d)
De consumentenbestedingen dalen
3.
Wat is een oorzaak van kosteninflatie?
a)
Toename van overheidsuitgaven
b)
Toename van bestedingen
c)
Verhoging van grondstoffenprijzen
d)
Centrale bank drukt geld bij
4.
Wat is een oorzaak van monetaire inflatie?
a)
De bestedingen nemen toe
b)
Grondstofprijzen en / of lonen stijgen
c)
De centrale bank drukt geld bij
d)
De centrale bank haalt geld uit omloop
5.
Wat is een oorzaak van bestedingsinflatie?
a)
De centrale overheid drukt geld bij.
b)
Kosten van grondstoffen worden hoger.
c)
De vraag naar goederen neemt toe.
d)
Het aanbod is groter dan de vraag.
6.
Wat is een voordeel van hoge inflatie?
a)
De gezinnen krijgen een impuls om aankopen te gaan doen.
b)
De inkomens van gezinnen stijgen in verhouding tot de prijsstijging.
c)
De werkelijke waarde van de schulden wordt lager.
d)
De werkelijke waarde van de schulden wordt hoger.
7.
Wat is een nadelig gevolg van deflatie?
a)
Grondstofprijzen en / of lonen stijgen
b)
De consumenten stellen bestedingen uit
c)
De koopkracht daalt
d)
De kwaliteit v/d producten daalt
8.
Een oorzaak van deflatie is:
a)
dat er te weinig geld in omloop is.
b)
dat er te veel geld in omloop is.
c)
dat de koopkracht daalt
d)
dat de koopkracht stijgt
9.
Een gevolg van deflatie is:
a)
dat er te weinig geld in omloop is.
b)
dat er te veel geld in omloop is.
c)
dat de koopkracht daalt
d)
dat de koopkracht stijgt
10.
Welke stelling is juist? Normaal gesproken daalt de inflatie als ..
a)
er veel vraag is naar producten
b)
er veel aanbod is van producten
c)
de koopkracht stijgt
d)
prijzen van grondstoffen dalen
11.
‘In een abstracte markt zijn goederen homogeen, in een concrete markt niet.’
Is deze stelling juist of onjuist?
a)
Juist
b)
Onjuist
12.
Een voorbeeld van een abstracte markt is:
a)
De supermarkt in de stad
b)
Beleggen via internet
c)
Vis kopen bij de visboer
13.
Een supermarkt die producten inkoopt bij een groothandel doet een transactie in een ...
a)
B2B markt
b)
B2C markt
c)
C2C markt
14.
Het kopen van tweedehands studieboeken op marktplaats.nl is een transactie in een ...
a)
B2B markt
b)
B2C markt
c)
C2C markt
15.
Waarin verschilt een business-to-businessmarkt van de consumentenmarkt?
a)
In een business-to-businessmarkt fluctueert de vraag minder sterk dan in een consumentenmarkt.
b)
In een business-to-businessmarkt is de vraag elastischer dan in een consumentenmarkt.
c)
In een business-to-businessmarkt is het koopgedrag minder rationeel dan in een consumentenmarkt.
d)
In een business-to-business markt is sprake van een afgeleide vraag, in een consumentenmarkt niet.
16.
Waarin verschilt een business-to-businessmarkt van de consumentenmarkt?
a)
In een business-to-businessmarkt fluctueert de vraag sterker dan in een consumentenmarkt.
b)
In een business-to-businessmarkt is de vraag elastischer dan in een consumentenmarkt.
c)
In een business-to-businessmarkt is het koopgedrag minder rationeel dan in een consumentenmarkt.
d)
In een business-to-consumer markt is sprake van een afgeleide vraag, in een business-to-businessmarkt niet.
17.
Waarin verschilt een business-to-businessmarkt van de consumentenmarkt?
a)
In een business-to-businessmarkt fluctueert de vraag minder sterk dan in een consumentenmarkt.
b)
In een business-to-businessmarkt is de vraag elastischer dan in een consumentenmarkt.
c)
In een business-to-businessmarkt is het koopgedrag minder op impulsaankopen gebaseerd dan in een consumentenmarkt.
d)
In een business-to-consumer markt is sprake van een afgeleide vraag, in een business-to-businessmarkt niet.
18.
Bij de Tuin-en Lifestyle beurs (14 t/m 17 april 2016) in Ahoy kunnen mensen aanbiedingen van tuin(ontwerp)en, inrichting, bloemen en planten bekijken. Gevraagd: Welk soort markt wordt hier beschreven?
a)
Kopersmarkt
b)
Verkopersmarkt
c)
B2B-markt
d)
Consumentenmarkt
19.
Bij de Tuin-en Lifestyle beurs (14 t/m 17 april 2016) in Ahoy kunnen mensen aanbiedingen van tuin(ontwerp)en, inrichting, bloemen en planten bekijken. Gevraagd: Welk soort markt wordt hier beschreven?
a)
Kopersmarkt
b)
Verkopersmarkt
c)
B2B-markt
d)
Consumentenmarkt
20.
De verkoopprijzen van bestaande woningen lagen in augustus 4 procent hoger dan het jaar daarvoor. Welke markt wordt hier omschreven?
a)
Kopersmarkt
b)
Verkopersmarkt
c)
Aanbodzijde v/d markt
d)
Vraagzijde v/d markt
21.
De verkoopprijzen van nieuwe auto's lagen in december 8 procent lager dan het jaar daarvoor. Welke markt wordt hier omschreven?
a)
Kopersmarkt
b)
Verkopersmarkt
c)
Aanbodzijde v/d markt
d)
Vraagzijde v/d markt
22.
De oliemarkt wordt dit jaar omschreven als een “verkopersmarkt”. Wat betekent dit?
a)
Er wordt meer olie aangeboden dan er wordt verkocht.
b)
Er zijn meer kopers dan verkopers van olie.
c)
Er wordt meer olie geproduceerd dan in het voorafgaande jaar.
d)
De prijs van olie zakt dit jaar.
23.
Wat is het verschil tussen een abstracte markt en een concrete markt?
a)
Bij een abstracte markt ontmoet vraag en aanbieders elkaar op een fysieke plek, bij een concrete markt niet.
b)
Bij een abstracte markt zijn goederen niet in natura aanwezig, bij een concrete markt wel.
c)
Een abstracte markt is transparant, een concrete markt niet.
d)
Een concrete markt is transparant, een abstracte markt niet.
24.
De huizenmarkt wordt dit jaar omschreven al een “kopersmarkt”. Wat betekent dit?
a)
Er worden meer huizen aangeboden dan er worden verkocht.
b)
Er zijn meer kopers dan verkopers van huizen.
c)
Er worden meer huizen gebouwd dan in het voorafgaande jaar.
d)
De huizenprijs stijgt dit jaar.
25.
Wat is het verschil tussen een verkopersmarkt en een kopersmarkt?
a)
Bij een verkopersmarkt is er veel aanbod van het product, bij een kopersmarkt niet.
b)
Bij een verkopersmarkt is er veel vraag naar het product, bij een kopersmarkt niet.
c)
Bij een verkopersmarkt staan verkoopprijzen onder druk door de geringe vraag, bij een kopersmarkt niet.
d)
Op een “kopersmarkt” staan inkopers in de prijsonderhandeling zwakker dan verkopers.
26.
Wat is het verschil tussen diensten en goederen?
a)
Diensten zijn makkelijker te standaardiseren dan goederen.
b)
Diensten zijn niet tastbaar, goederen wel.
c)
Diensten zijn niet vergankelijk, goederen niet.
27.
Wat is het verschil tussen diensten en goederen?
a)
Diensten zijn makkelijker te standaardiseren dan goederen.
b)
Goederen zijn niet tastbaar, diensten wel.
c)
Diensten zijn vergankelijker dan goederen.
28.
Wat is het verschil tussen diensten en goederen?
a)
Diensten zijn moeilijker te standaardiseren dan goederen.
b)
Goederen zijn niet tastbaar, diensten wel.
c)
Diensten zijn minder vergankelijk dan goederen.
29.
Wat is een voorbeeld van een homogeen product?
a)
Bruidsjurk
b)
Valuta
c)
Auto
d)
Horloge
30.
Rotterdam kent een groot winkelaanbod in kleding. Welke marktvorm is dit?
a)
Volledige mededinging
b)
Volkomen concurrentie
c)
Heterogeen oligopolie
d)
Monopolistische concurrentie
31.
Welke strategie is geschikt voor een marktleider? 
a)
Het nemen van initiatieven op het gebied van productinnovatie
b)
Het overnemen van bedrijven die aanvullende diensten leveren
c)
Zich richten op een klein maar winstgevend segment
d)
Verlagen van de prijzen
32.
Welke concurrentiestrategie is geschikt voor een marktuitdager in Nederland?
a)
Verlagen van de prijzen.
b)
richten op specifieke wensen doelgroep
c)
kopiëren prijsstelling van de marktleider.
d)
Nieuwe producten introduceren
33.
Welke concurrentiestrategie is geschikt voor een marktleider in Nederland?
a)
Verlagen van de prijzen.
b)
richten op specifieke wensen doelgroep
c)
kopiëren prijsstelling van de marktleider.
d)
Nieuwe producten introduceren
34.
Welke concurrentiestrategie is geschikt voor een marktvolger in Nederland?
a)
Verlagen van de prijzen.
b)
maken van kartelafspraken.
c)
kopiëren prijsstelling van de marktleider.
35.
Welke strategie is geschikt voor een marktnicher? 
a)
Het nemen van initiatieven op het gebied van productinnovatie
b)
Het overnemen van bedrijven die aanvullende diensten leveren
c)
Zich richten op wensen van een klein maar winstgevend segment
d)
Verlagen van de prijzen
36.
Een bedrijf probeert marktaandeel bij de marktleider weg te halen. Zij doet dit door een lagere prijs aan te bieden voor haar diensten. Welke positie heeft dit bedrijf op de markt?
a)
Marktleider
b)
Marktvolger
c)
Marktuitdager
d)
Marktnicher
37.
Welk kenmerk maakt het verschil tussen de marktvormen monopolistische concurrentie en volledige mededinging?
a)
het aantal aanbieders
b)
het  aantal vragers
c)
de hoogte van de prijs
d)
de aard van het goed
38.
Welk van de onderstaande kenmerken is van toepassing op een markt met monopolistische concurrentie?
a)
De producenten zijn volledig vrij in het bepalen van de prijs.
b)
Er is sprake van een homogeen goed.
c)
Er is sprake van een heterogeen goed.
d)
Er is geen sprake van vrije toetreding op de markt.
39.
Welke uitspraak is niet juist?
a)
Een oligopolist concurreert meestal niet met de prijs
b)
Bij een oligopolie is er meestal sprake van een prijsleide
c)
Oligopolisten houden elkaar in de gaten bij het vaststellen van de prijs
d)
Oligopolisten produceren alleen heterogene producten
40.
Op de automarkt beheersen een paar grote maatschappijen de markt. Van elke merk word een breed assortiment modellen / typen auto’s geleverd. Van welke marktvorm is hier sprake?
a)
Monopolie
b)
Monopolistische concurrentie
c)
Homogeen oligopolie
d)
Heterogeen oligopolie
41.
In Nederland bepalen een paar grote banken de markt. De markt is ondoorzichtig en toetreding is moeilijk. Van welke marktvorm is hier sprake?
a)
Monopolie
b)
Monopolistische concurrentie
c)
 Oligopolie
d)
Volledige mededinging
42.
In Utrecht is in warenhuizen en winkels een groot aanbod in merkkleding te verkrijgen. Welke marktvorm is dit?
a)
Monopolie
b)
Monopolistische concurrentie
c)
Homogeen oligopolie
d)
Heterogeen oligopolie
43.
Op een meubelboulevard is een groot aanbod van meubelwinkels. Er is een divers aanbod van meubels in elke soort, smaak en prijsklasse. Dit is een voorbeeld van:
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie
44.
Als bedrijven een kartel vormen, heeft dit tot doel:
a)
het voor gezamenlijk risico opzetten van een nieuwe onderneming.
b)
door overname de concurrenten uit te kopen.
c)
samen sterker te staan in onderhandelingen met vakbonden.
d)
de onderlinge concurrentie te beperken.
45.
Je hebt de keus om een blikje frisdrank te kopen bij een snackbar of op een terras van een café dezelfde frisdrank te drinken. Dit is een voorbeeld van:
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie
46.
Milo heeft €2.000 gespaard met een bijbaantje. Hij twijfelt wat hij met zijn geld wil doen. Hij twijfelt tussen een vakantie naar Spanje en de aanschaf van een nieuwe Macbook. Van welk concurrentieniveau is hier sprake?
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie
47.
Aan het eind van de maand (weinig geld over) moet je kiezen tussen uitgaan of toch maar dat missende studieboek kopen. Dit is een voorbeeld van: ...
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie
48.
Een student heeft zijn vakantiegeld ontvangen. Hij twijfelt of hij van dit geld met het vliegtuig naar Aruba of met de bus naar Spanje. Dit is een voorbeeld van: ...
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie
49.
Pieter is medewerker bij een communicatiebureau. Voor een bedrijfsuitje dat hij organiseert, twijfelt hij tussen uit eten gaan of een sportieve activiteit ondernemen.
a)
Behoeftenconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Productvormconcurrentie
d)
Merkconcurrentie