Worksheetsblok3
Total questions: 18
Worksheet time: 9mins
Name
Class
Date
1.
joelen
a)
schreeuwen
b)
praten
c)
rennen
d)
fluisteren
2.
in trek zijn
a)
je wilt het graag
b)
vertrekken
c)
veel trek hebben
d)
net op tijd
3.
de intercity
a)
metro
b)
een stop trein
c)
een snel trein
d)
een bus
4.
mans hoog
a)
laag
b)
zo hoog als een mens
c)
heel laag
d)
superlaag
5.
historisch
a)
toekomst
b)
verleden
c)
vandaag
d)
boot
6.
incheken
a)
een kaartje lenen
b)
kaart
c)
een kaartje kopen
d)
een kaartje cheken om met de trein te gaan
7.
de omroeper
a)
iemand die om de hoek roept
b)
iemand die iets ferluisterd
c)
iemand die iets zegt
d)
iemand die iets om roept
8.
uitcheken
a)
een kaart checken om met de trein te gaan
b)
een kaart checken om naar huis te gaan
c)
kaart
d)
weg gaan
9.
het ziet zwart van de mensen
a)
zonder echt iets te doen hebben
b)
het is ontzettend druk
c)
iemand die een luchtballon bestuurd
d)
wat je zegt wat je doet
10.
de gasbrander
a)
wat hun vroeger gebruikte
b)
als iets in de krant staad
c)
gasfles
d)
wat je zegt als iemand weggaat
11.
afwijkende
a)
de plaats
b)
opsoeken
c)
als iets anders
d)
heel snel
12.
intens
a)
slap
b)
sloom
c)
krachtig
d)
snel
13.
stipt op tijd
a)
precies op tijd
b)
te laat
c)
te vroeg
d)
op tijd
14.
centraal
a)
in het begin
b)
als iets in het midden ligt
c)
in het laatste begin
d)
aan het eind
15.
ginds
a)
een hoek
b)
om de hoek
c)
daar op die plek
d)
daar achter
16.
op pad gaan
a)
van huis weg gaan
b)
ergens blijfen
c)
op een stoel zitten
d)
ergens zoeken
17.
eind punt
a)
begin
b)
eind
c)
waar iets eindigt
d)
bijna het eind
18.
in zicht
a)
zo dicht bij dat je het ziet
b)
zo ver weg dat je het niet ziet
c)
super verweg
d)
zichtloos
100 %
