NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsMarketing H1 N3
Total questions: 32
Worksheet time: 30mins
Name
Class
Date
1.
Veel voorkomende ondernemingsdoelstellingen zijn:
(Kies het meest complete antwoord)..
(Kies het meest complete antwoord)..
a)
Continuïteit - Groei -Winst
b)
Prijs - Product - Plaats - Promotie - Personeel
c)
Prijs - Product - Plaats - Promotie
d)
Continuïteit - Groei - Personeelskosten
2.
Het verschil tussen de interne analyse en externe analyse is:
a)
interne analyse gaat over Nederland, externe analyse over Europa.
b)
Interne analyse gaat over de bedrijfstak, externe analyse gaat over Nederland.
c)
Interne analyse gaat over het bedrijf zelf, externe analyse over de buitenwereld.
d)
Er is geen verschil.
3.
Het verschil tussen de visie en de missie van een bedrijf is:
a)
visie is gericht op het heden. Missie niet.
b)
De missie bespreekt de volledige marketing mix, de visie niet.
c)
De visie is gericht op de toekomst, de missie op het heden.
d)
Er is geen verschil.
4.
De afkorting SWOT staat voor
a)
Snelheid - Wegingsfactor - Opportunities - Threats
b)
Strengths - Weaknesses - Opportunities - Threats
c)
Strengths - Weaknesses - Ondernemingsraad - Tijdgebonden
d)
Specifiek -Weegbaar - Opportuun - Tijdgebonden
5.
Het verschil tussen ondernemingsdoelstellingen en marketingdoelstellingen is:
a)
Ondernemingsdoelstellingen gaan over korte termijn omzet, marketingdoelstellingen over lange termijn strategie.
b)
Ondernemingsdoelstellingen gaan over lange termijn strategie, marketingdoelstellingen over korte termijn omzet.
c)
Er is geen verschil
6.
Bij het succesvol toepassen van de marketing mix op een bedrijf geldt het volgende:
a)
Prijs, Product, Plaats, Prijs en Personeel moet een samenhangend geheel vormen.
b)
Prijs, Product, Plaats, Prijs en Personeel mogen los van elkaar toegepast worden.
7.
"Een bedrijf heeft als doel om de komende 3 jaar de naamsbekendheid te verhogen met 40% in Nederland". Dit is een voorbeeld van een ..:
a)
Ondernemingsdoelstelling
b)
Marketingdoelstelling
c)
Communicatiedoelstelling
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
8.
Winkeliers organiseren samen een evenement in het winkelcentrum. Hier is sprake van:
a)
Macro-Marketing
b)
Meso-Marketing
c)
Micro-Marketing
d)
Geen van de overige antwoorden is juist
9.
Het beste voorbeeld van convenience goods is:
a)
sigaretten
b)
sieraden
c)
auto
d)
laptop
10.
Content marketing is:
a)
Marketing gericht op bedrijven
b)
Marketing door vloggers en bloggers
c)
Macro-marketing
d)
Geen van de overige antwoorden is juist
11.
Welke stelling over convenience goods is juist?
a)
Convenience goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor convenience goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor convenience goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
12.
Wat is de beste omschrijving van marketing?
a)
Producten verkopen
b)
Producten in de markt zetten
c)
Reclame maken
d)
Producten aanpassen aan de behoeften v/d klant.
13.
Een voorbeeld van shopping goods is:
a)
drop
b)
kleding
c)
auto
d)
huis
14.
Detaillistenmarketing richt zich op:
a)
winkeliers
b)
consumenten
c)
fabrieken
d)
import/export bedrijven
15.
Welke stelling over shopping goods is juist?
a)
shopping goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor shopping goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor shopping goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
16.
Detailhandelsmarketing richt zich op:
a)
winkeliers
b)
consumenten
c)
fabrieken
d)
import/export bedrijven
17.
Welke stelling over specialty goods is juist?
a)
specialty goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor specialty goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor specialty goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
18.
Wat wordt bedoeld met "Plaats" in de marketing mix? Kies het beste juiste antwoord.
a)
vestigingsplaats van het bedrijf
b)
vestigingsplaats + distributiekanaal
c)
distributiekanaal
d)
de plaats waar producten geleverd moeten worden
19.
Een voorbeeld van specialty goods is:
a)
drop
b)
kleding
c)
auto
d)
sieraden
20.
Consumenten in Nederland vinden duurzaamheid steeds belangrijker. Hier is sprake van:
a)
Macro-Marketing
b)
Meso-Marketing
c)
Micro-marketing
d)
Detaillistenmarketing
21.
Wat is geen onderdeel van de marketing mix?
a)
Productie
b)
Plaats
c)
Prijs
d)
Personeel
22.
Een bedrijf brengt een revolutionair nieuw product op de markt. Dit product verkoopt zichzelf.
a)
Hier is sprake van het productconcept.
b)
Hier is sprake van het marketingconcept.
c)
Hier is sprake van het productieconcept.
d)
Hier is sprake van het verkoopconcept.
23.
De promotiemix bestaat onder andere uit:
a)
Product - Plaats - Promotie - Prijs
b)
Kwaliteit - merk - garantie - verpakking
c)
PR - Sponsoring - direct marketing - sales promotions
d)
Product - Plaats - Promotie - Prijs -Personeel
24.
Een bedrijf specialiseert zich in sales promotions. Hier is sprake van het ... :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal marketingconcept
c)
Verkoopconcept
d)
Productconcept
25.
Een bedrijf koopt geen producten gemaakt met kinderarbeid. Hier is sprake van .. :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal marketingconcept
c)
Verkoopconcept
d)
Productieconcept
26.
Een ander woord voor detaillistenmarketing is:
a)
Handelsmarketing
b)
Business marketing
c)
Consumentenmarketing
d)
Business to consumer marketing
27.
Een bedrijf specialiseert zich in goedkope productie en distributie. Hier is sprake van .. :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal Marketingconcept
c)
Productconcept
d)
Productieconcept
28.
In een verkopersmarkt is ..
a)
Het aantal verkopers groter dan het aantal kopers.
b)
Er meer aanbod dan vraag.
c)
Is er meer vraag dan aanbod.
d)
Geen van de overige antwoorden zijn juist.
29.
Een bedrijf stelt behoeften van de consument centraal. Hier is sprake van het ... :
a)
Marketingconcept
b)
Productconcept
c)
Productieconcept
d)
Verkoopconcept
30.
Het verschil tussen productconcept en productieconcept is..
a)
Bij productieconcept ligt nadruk op product kwaliteit
b)
Bij productconcept ligt nadrukt op goedkoop produceren
c)
Bij productieconcept ligt nadrukt op goedkoop produceren
31.
Een ander woord voor "segment" is:
a)
doelgroep
b)
percentage
c)
meso-marketing
d)
micro-marketing
32.
Een ander woord voor business marketing is
a)
groothandel
b)
detaillistenmarketing
c)
handelsmarketing
d)
industriële marketing
Reset
