NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsNN KGT 1 H2 GS
Total questions: 21
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Welke vraag stel je op het onderwerp te vinden?
a)
Wie/wat + pv
b)
Wie/wat doet iets
c)
Wie/wat + ond
d)
Wie/wat
2.
Wat is het ond. in de volgende zin:
Bij biologie zitten we op de achterste rij.
Bij biologie zitten we op de achterste rij.
a)
biologie
b)
zitten
c)
we
d)
rij
3.
Wat is het ond. in de volgende zin:
Deze shampoo ruikt naar lavendel.
Deze shampoo ruikt naar lavendel.
a)
Deze shampoo
b)
ruikt
c)
naar
d)
lavendel
4.
Wat is het ond. in de volgende zin:
Ik koop graag kleren.
Ik koop graag kleren.
a)
Ik
b)
koop
c)
graag
d)
kleren
5.
Wat is het ond. in de volgende zin:
De docent eist dat je luistert.
De docent eist dat je luistert.
a)
De docent
b)
eist
c)
dat
d)
je
6.
Wat is het ond. in de volgende zin:
Romy slaapt op de strandstoel.
Romy slaapt op de strandstoel.
a)
Romy
b)
slaapt
c)
op
d)
de strandstoel
7.
Wat zijn de ww in de volgende zin:
Hij blafte naar de medewerkers en was bijna uitgehongerd.
Hij blafte naar de medewerkers en was bijna uitgehongerd.
a)
hij, medewerkers
b)
blafte
c)
blafte, was
d)
blafte, was, uitgehongerd
8.
Wat zijn zelfstandige naamwoorden?
a)
ik, hij, wij, ze
b)
gaan, lopen, zoeken
c)
blauwe, grote, kleine
d)
tafel, kaart, kerstboom
9.
Welk woord is goed geschreven?
a)
goud
b)
gout
10.
Welk woord is goed geschreven?
a)
olifant
b)
olifand
11.
Welk woord is goed geschreven?
a)
wont
b)
wond
12.
Welk woord is goed geschreven?
a)
verstand
b)
verstant
13.
Welk woord is goed geschreven?
a)
groepsleider
b)
groepslijder
14.
Welke zin is goed geschreven?
a)
Moeder berijdt het eten.
b)
Moeder bereidt het eten.
15.
Welke zin is goed geschreven?
a)
Het paard steigerde van schrik.
b)
Het paard stijgerde van schrik.
16.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
graven
graven
a)
grav
b)
graf
c)
graav
d)
graaf
17.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
acteren
acteren
a)
acter
b)
acteer
c)
akteer
d)
akter
18.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
schatten
schatten
a)
schatt
b)
schat
c)
schaat
d)
schad
19.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
gapen
gapen
a)
gap
b)
gaap
c)
gop
d)
goop
20.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
verdoven
verdoven
a)
verdov
b)
verdoov
c)
verdof
d)
verdoof
21.
Wat is de stam van het volgende werkwoord?
krabbelen
krabbelen
a)
krabbel
b)
krabel
c)
kribbel
d)
kruisje
Reset
