wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorzetsels en voorzetselvoorwerp

Total questions: 16

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Vul het juiste voorzetsel in:


'De leerkracht herinnerde haar (a)   de taak die nog moest ingediend worden.'

2.

Vul het juiste voorzetsel in:

'Je moet niet zo oordelen (a)   anderen.'

3.

Vul het juiste voorzetsel in:

'Geniet maar (a)   de laatste zonnige dagen.'

4.

Vul het juiste voorzetsel in:

'Bemoei je toch niet zo (a)   mijn zaken!'

5.

Welke combinatie van een werkwoord + vast voorzetsel bestaat niet?

a)

beperken tot

b)

aansporen tot

c)

kijken tot

d)

in staat zijn tot

6.

Selecteer de juiste combinatie van werkwoord + vast voorzetsel.

a)

het hoofd breken naar

b)

het hoofd breken tot

c)

het hoofd breken over

d)

het hoofd breken van

7.

Selecteer de juiste combinatie van werkwoord + vast voorzetsel.

a)

opgaan in

b)

opgaan naar

c)

opgaan tot

d)

opgaan voor

8.

Selecteer de juiste combinatie van werkwoord + vast voorzetsel.

a)

solliciteren naar

b)

solliciteren voor

c)

solliciteren tot

d)

solliciteren op

9.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mijn mama heeft de hond gisteren gevoederd.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

10.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Gisteren heb ik haar een klap gegeven.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

11.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Meneer Philippe wijkt graag af van het padje.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

12.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Mevrouw Jill is trots op haar nieuwe huis.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

13.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Op Paaszondag worden er chocolade eieren geraapt door kinderen.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

14.

Schrijf een zin waarin je een combinatie van een werkwoord met een vast voorzetsel gebruikt.

4 lines
15.

Welke functie heeft het onderstreepte zinsdeel?


Twee weken heb ik het oorlogsmuseum van Bastogne bezocht.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

handelend voorwerp

d)

voorzetselvoorwerp

16.

Is de onderstaande zin actief of passief?


De tanden van het kind werden gebroken tijdens de val op de trampoline.

a)

actief

b)

passief