NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsBloedsomloop M4
Total questions: 29
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
In welke bestandsdelen van het bloed komen celkernen voor?
a)
Alleen in rode bloedcellen.
b)
Alleen in witte bloedcellen.
c)
In rode bloedcellen en in bloedplaatjes.
d)
In rode bloedcellen en in witte bloedcellen.
2.
Wat is de functie van de hartkleppen?
a)
Verhinderen dat het bloed uit de boezems naar de aders stroomt.
b)
Verhinderen dat het bloed uit de boezems naar de kamers stroomt.
c)
Verhinderen dat het bloed uit de kamers naar boezems stroomt.
d)
Verhinderen dat het bloed uit de kamers naar de slagaders stroomt.
3.
Welk gedeelte van het hart pompt zuurstofrijk bloed door de aorta?
a)
Rechterkamer
b)
Rechterboezem
c)
Linkerkamer
d)
Linkerboezem
4.
Welke van de genoemde bloedvaten vervoerd zuurstofrijk bloed?
a)
Longslagader
b)
Longader
c)
Leverader
d)
Poortader
5.
Waar in het lichaam wordt glycogeen tijdelijk opgeslagen om het gehele organisme van voldoende glucose te kunnen voorzien?
a)
Spieren.
b)
Lever.
c)
Vooral in de spieren en een beetje in de lever.
d)
In de hersenen.
6.
Wanneer spreken we van een dubbele bloedsomloop?
a)
Als het hart meerdere kamers bevat.
b)
Als het hart meerdere boezems bevat.
c)
Als het bloed per omloop 2 keer door het hart stroomt.
d)
Als het bloed van zuurstofrijk naar zuurstofarm gaat.
7.
In welk bloedvat veranderd het gehalte glucose voortdurend?
a)
In de poortader.
b)
In de leverslagader.
c)
In de aorta.
d)
In de maagslagader.
8.
Welke bloeddeeltjes functioneren niet goed meer als iemand snel moe is en kortademig?
a)
Witte bloedcellen.
b)
Rode bloedcellen.
c)
Bloedplaatjes.
d)
Het bloedplasma.
9.
Welke bloeddeeltjes worden door het HIV-virus als gastheer gebruikt?
a)
Rode bloedcellen.
b)
Witte bloedcellen.
c)
Bloedplaatjes.
d)
Bloedplasma.
10.
Welke bloeddeeltjes zitten er in lymfe?
a)
Rode bloedcellen.
b)
Witte bloedcellen.
c)
Bloedplaatjes.
d)
Bloedplasma.
11.
Waar heeft iemand met een lymfe oedeem last van?
a)
Bloed ophoping
b)
Vocht ophoping
c)
Urine ophoping
d)
Slijm ophoping
12.
Wat is GEEN functie van een lymfeknoop?
a)
Het maken van witte bloedcellen.
b)
Het maken van rode bloedcellen.
c)
Zorgen voor de afvoer van lymfe.
d)
Geen idee..
13.
Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van veel kleppen?
a)
Kransslagaders
b)
Haarvaten
c)
Slagaders
d)
Aders
14.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
15.
In welk bloedvat is de stroomsnelheid het hoogst?
a)
Slagaders
b)
Haarvaten
c)
Aders
d)
Kransslagaders
16.
Wat is een blauwe plek?
a)
Een onderhuidse bloeding.
b)
Een bloeding van een orgaan in het lichaam.
c)
Een kapot geslagen smurf op je arm.
d)
Een lek in het lymfe systeem.
17.
Een gevolg van een lage bloeddruk kan zijn dat een patiënt eventjes duizelig is als hij uit bed stapt.
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
Iemand met een hoge bloeddruk heeft minder kans op slagadeverkalking.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Een hartinfarct wordt veroorzaakt doordat het bloed niet genoeg zuurstof bevat.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
Een laag cholesterolgehalte van het bloed heeft een grotere kans op een hartinfarct tot gevolg.
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Een beroerte kan worden veroorzaakt doordat een bloedvat in de hersenen kapot is gegaan.
a)
Juist
b)
Onjuist
22.
Iemand met een sporthart heeft in rust een hoger hartritme dan andere personen zonder een sporthart.
a)
Juist
b)
Onjuist
23.
Roken verhoogd de kans op een herseninfarct.
a)
Juist
b)
Onjuist
24.
Enkele stoffen die in weefselvloeistof voorkomen zijn glucose, koolstofdioxide, zouten en zuurstof. Welk van deze stoffen worden door weefselvloeistof naar de cellen toe gevoerd?
a)
Alleen glucose en zuurstof
b)
Alleen koolstofdioxide en zouten
c)
Alleen glucose, koolstofdioxide en zouten.
d)
Alleen glucose, zouten en zuurstof.
25.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
26.
Wat is trombose?
a)
Een te hoog cholesterol gehalte in het bloed.
b)
Een bloedstolsel in een bloedvat.
c)
Een ander woord voor slagaderverkalking
d)
Een groepje boze trommelaars.
27.
Een gezicht hangt scheef, iemand kan moeilijk uit zijn woorden komen en heeft geen besef meer van tijd. Wat is er aan de hand?
a)
Hartinfarct.
b)
Herseninfarct.
c)
Klaplong.
d)
Nierfalen.
28.
Iemand voelt druk op zijn borstkas, is kortademig en heeft pijn in zijn onderkaak. Wat is er aan de hand?
a)
Hij heeft een klaplong.
b)
Hij heeft een hartinfarct.
c)
Hij heeft een herseninfarct.
d)
Hij heeft een klap tegen zijn kop gehad.
29.
Wie halen er in Nederland gemiddelde vaker een diploma in het voortgezet onderwijs?
a)
Jongens
b)
Meisjes
Reset
