NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsVraagvormen - fase 1 evalueren
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
De eerste grote onderverdeling bij vraagvormen heeft betrekking op het open of gesloten zijn van de vraagvorm.
a)
Juist
b)
Fout
2.
Kort-antwoordvragen zijn open vragen die vooral geschikt zijn voor het meten van geheugenkennis.
a)
Juist
b)
Fout
3.
Welke uitspraak is juist over essay-vragen?
a)
Het zijn gesloten vragen die begrenzend of niet-begrenzend kunnen zijn
b)
Het zijn open vragen die begrenzend of niet-begrenzend kunnen zijn
c)
Het zijn open vragen die geprecodeerd of niet-geprecodeerd kunnen zijn
d)
Het zijn gesloten vragen die begrenzend of niet-begrenzend kunnen zijn
4.
Een interpretatieoefening waarbij je een tekst (grafiek, foto,...) aanbiedt samen met vragen is een voorbeeld van een niet-begrenzende open essay vraag.
a)
Juist
b)
Fout
5.
Het verschil tussen geprecodeerde en niet-geprecodeerde vragen bestaat erin dat je bij niet-geprecodeerde vragen het antwoordmateriaal op één of andere manier moet bewerken, terwijl je bij geprecodeerde vragen het antwoordmateriaal niet moet bewerken en enkel het juiste antwoord moet aanduiden.
a)
Juist
b)
Fout
6.
Met item-stam bedoelt men
a)
de validiteit van een item
b)
de vraag, opdracht, uitspraak bij een meerkeuzevraag
c)
de opdracht bij een open vraag van waaruit je zelf de vertakkingen moet aangeven
d)
een premisse
7.
Welke bewering is juist?
a)
bij de classificatievraag krijgt de leerling een reeks voorgelegd die hij in de juiste volgorde moet plaatsen.
b)
efficiëntie van een toets gaat steeds ten koste van de validiteit en betrouwbaarheid.
c)
Bij het opstellen van een toets moet je steeds je leerdoelen in het achterhoofd houden. Niet elke vraagvorm is geschikt voor elk leerdoel.
d)
meerkeuzevragen met giscorrectie zijn te verkiezen boven "gedwongen-raden-systeem" waarbij je verplicht alle vragen moet beantwoorden.
8.
Welke vraagvorm past het best bij het volgende leerdoel: leerdoelen indelen in cognitieve, affectieve en psychomotorische doelen.
a)
classificatievraag
b)
rangschikvraag
c)
sorteervraag
d)
meerkeuzevraag
9.
Over welke vraagvorm gaat het: "beschrijf de bloedsomloop."
a)
kort-antwoordvraag
b)
begrenzende open vraag
c)
classificeervraag
d)
niet-begrenzende open vraag
10.
Over welke vraagvorm gaat het: "plaats bij elk woord uit de reeks A het gepaste synoniem uit reeks B:...."
a)
sorteervraag
b)
classificatievraag
c)
rangschikvraag
rangschikvraag
rangschikvraag
Reset
