WorksheetsNN vwo3 WO H1 en 2
Total questions: 28
Worksheet time: 14mins
Name
Class
Date
1.
De blaadjes van de boom dansten vrolijk in de wind.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
2.
Die rooie is erg goed in wiskunde.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
3.
De hond blafte de hele buurt bij elkaar.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
4.
Zijn huid is zo wit als sneeuw.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
5.
Kuifje heeft een hondje genaamd Bobbie.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
6.
Mijn derdeklassers zijn niet de vervelendste leerlingen ;)
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
7.
Die kleuter is zo gespierd als Arnold Schwarzenegger!
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
8.
School heeft een paar docenten te weinig.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
9.
Hij is de clown van de klas
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
10.
Die spierbundel duwde zo iedereen omver!
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
11.
Mijn huisdier is helaas niet meer onder ons.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
12.
Het leven lachte ons toe.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
13.
Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
14.
De kat van de buren is heengegaan.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
15.
De wind zong door de bomen tijdens de storm.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
16.
Zij is niet onaardig.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
17.
De zon streelde onze gezichten op deze mooie zomerdag.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
18.
Die gozer is zo kaal als een knikker!
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
19.
Die blonde doet er veel te lang over!
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
20.
Ik ga dood van de honger; ik heb al 5 minuten niets gegeten.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
21.
Het leven is een weg met kuilen en hobbels.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
22.
'Dat is een leuke som geld', zei de loterijwinnaar.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
23.
Die stijve hark kan echt niet dansen!
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
24.
Hij stroomt over van geluk.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
25.
Hij stroomt over van geluk.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
26.
Dit boek is zo zwaar als een kei.
a)
vergelijking
b)
metafoor
c)
personificatie
d)
metonymie
27.
Dit boek is zo zwaar als een kei.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
28.
Hij heeft wel wat leuke wagentjes in zijn wagenpark; zijn favoriet is een Ferrari.
a)
hyperbool
b)
understatement
c)
litotes
d)
eufemisme
100 %
