wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 Thema 3 en 4

Total questions: 31

Worksheet time: 1hrs 21mins

Name
Class
Date
1.
Van een plant met het genotype GG wordt een stuk stengel (de ent) afgesneden. Deze ent wordt bevestigd op een andere plant van dezelfde soort (de entstam) met het genotype gg.
Van de uitgebloeide ent wordt na een paar jaar een stuk afgesneden; dit stuk vormt wortels en gaat bloeien. Er treedt zelfbestuiving op. Aangenomen wordt dat er geen mutaties voorkomen.
Welk genotype hebben de zaden die dan ontstaan?
a)
alleen GG
b)
alleen gg
c)
alleen Gg
d)
GG en gg
2.
Twee individuen van dezelfde soort bezitten beide voor een bepaalde eigenschap hetzelfde fenotype.
Het ene individu is voor deze eigenschap homozygoot en het andere individu is heterozygoot.
Door de nakomelingen van bepaalde kruisingen te onderzoeken, kan worden bepaald welk individu homozygoot en welk individu heterozygoot is.
Welke van onderstaande kruisingen komt hiervoor het beste in aanmerking?
a)
Beide individuen worden enkele malen met elkaar gekruist
b)
Beide individuen worden elk gekruist met een willekeurig ander individu
c)
Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de dominante allelen
d)
Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de recessieve allelen
3.
Van een wilg worden 20 takken afgesneden en iedere tak wordt in een aparte pot gezet. Na enige tijd zijn 5 bij takken de bladeren kronkelig vervormd, terwijl bij de overige 15 takken de bladeren normaal gebleven zijn.
De beste verklaring hiervoor is dat
a)
het allel voor kronkelige bladeren recessief is
b)
het allel voor kronkelige bladeren tijdens dit experiment gemuteerd is
c)
voor de verschillende takken het milieu verschillend is
d)
de boom heterozygoot is voor de aanleg bladvorm, want er ontstaat een 3:1 verhouding
4.
Planten van de siernetel laten zich gemakkelijk stekken. In een experiment worden van een siernetel met rode bladeren 16 takjes afgesneden. Ieder takje wordt in een aparte pot opgekweekt. Alle stekken krijgen wortels en groeien verder. Na enige tijd heeft een van de stekken alleen groene bladeren, terwijl de andere stekken allemaal rode bladeren hebben.
Voor het ontstaan van een stek met groene bladeren worden drie verklaringen geopperd.
1. Het allel voor groene bladeren is recessief
2. De kweekomstandigheden waaronder de verschillende stekken zijn opgekweekt, waren niet gelijk.
3. De gebruikte siernetel is heterozygoot voor bladkleur.
Welke van deze verklaringen is of zijn aannemelijk?
a)
Alleen verklaring 1
b)
Alleen verklaring 2
c)
Alleen verklaring 1 en 3
d)
Alleen verklaring 2 en 3
5.
Een erwtenplant met een homozygote aanleg voor gele zaden wordt gekruist met een erwtenplant met een homozygote aanleg voor groene zaden. De F1-planten dragen alleen gele erwten.
Hoe erft de eigenschap voor kleur van de zaden over?
a)
dominant overervend
b)
recessief overervend
c)
intermediair overervend
d)
heterozygoot overervend
6.
Op welk moment ontstaat het genotype van een mens?
a)
bij de geboorte
b)
bij de bevruchting
c)
door de invloed van milieuomstandigheden
d)
op het moment dat het fenotype bepaald is
7.
Bij de mens is de vorm van de oorlelletjes erfelijk bepaald. Er is een allel voor vastzittende en een allel voor loshangende oorlelletjes.
Een man heeft loshangende oorlelletjes en is voor deze eigenschap heterozygoot. Drie cellen van de man zijn:
1. een cel in een oorlelletje
2. een cel in de wand van een gehoorgang
3. een spermacel
In welke van deze cellen is zeker in de celkern het allel voor vastzittende oorlelletjes aanwezig, als mutaties worden uitgesloten?
a)
alleen in cel 1
b)
alleen in cel 3
c)
alleen in cel 1 en 2
d)
in cel 1, 2 en 3
8.
Een kind van twee gezonde ouders heeft een erfelijke aandoening. Het allel voor deze erfelijke aandoening moet dus aanwezig zijn bij de ouders. De ziekte is niet X-chromosomaal.
Erft deze erfelijke ziekte dominant of recessief over of is dit niet te bepalen?
a)
dominant
b)
recessief
c)
niet te bepalen
9.
Van een kloon kan men in het algemeen zeggen dat:
a)
de fenotypen en de genotypen onderling gelijk zijn
b)
 de fenotypen onderling altijd gelijk zijn
c)
de genotypen onderling gelijk zijn, maar de fenotypen kunnen verschillen
d)
de fenotypen onderling gelijk zijn, maar de genotypen onderling verschillen
10.
Welke van de vier beweringen over geslachtschromosomen is juist?
a)
Geslachtschromosomen komen voor in alle cellen
b)
Geslachtschromosomen komen alleen voor in voortplantingscellen
c)
Alle chromosomen in een voortplantingscel zijn geslachtschromosomen
d)
lle chromosomen in alle cellen van de voortplantingsorganen zijn geslachtschromosomen
11.

Een fruitvlieg met een zwart lichaam wordt gekruist met een fruitvlieg met een grijs lichaam. Alle individuen van de F1 zijn grijs. Deze F1-individuen worden onderling gepaard.

Van de 113 individuen van de F2 zijn er 84 grijs en 29 zwart.

Hoeveel van de 84 grijze individuen van de F2 zullen er, naar verwachting, heterozygoot zijn?

a)

28

b)

42

c)

56

d)

84

12.

Iemand, die in staat is zijn tong op te rollen is in het bezit van het allel R. Een persoon die zijn tong niet kan oprollen (rr) heeft twee zusters, die dit wel kunnen. Zijn beide ouders kunnen dit ook.

Wat is het genotype van ouders en van de zussen?

a)

Ouders RR en Rr, zusters RR en/of Rr.

b)

Ouders Rr en Rr, zusters alleen RR.

c)

Ouders RR en Rr, zusters alleen Rr.

d)

Ouders Rr en Rr, zusters RR en/of Rr.

13.
Van de individuen 5 en 6 uit de stamboom is bekend dat ze blauwe ogen hebben. Het allel voor blauwe ogen is recessief ten opzichte van dat voor bruine ogen.
Is met zekerheid te zeggen of één van de individuen 1, 2, 3 of 4 blauwe ogen heeft?
Zo ja, welk individu heeft of welke individuen hebben blauwe ogen?
a)
nee, dat is niet met zekerheid te zeggen
b)
ja, van individu 1 of individu 2
c)
ja, van individu 3 of individu 4
d)
ja, van individu 1, 2, 3 en 4
14.
Cavia's met een bruingele vacht zijn homozygoot voor de vachtkleur. Ook cavia's met een witte vacht zijn homozygoot voor de vachtkleur. Lichtgele cavia's hebben een intermediair fenotype.
Twee cavia's worden een aantal malen gepaard. Dit lever 23 nakomelingen op: 6 bruingele, 5 witte en 12 lichtgele dieren.
Wat is waarschijnlijk de vachtkleur van elk van de ouders?
a)
lichtgeel en bruingeel
b)
lichtgeel en wit
c)
lichtgeel en lichtgeel
d)
bruingeel en wit
15.
Kleurenblindheid wordt bij de mens veroorzaakt door een recessief X-chromosomaal allel. Persoon P in de stamboom is kleurenblind.
Bij welke van de personen 1 t/m 7 kan het allel voor kleurenblindheid afkomstig van P door overervring terecht zijn gekomen?
Tip: teken de stamboom uit !
a)
persoon 1, 2 en 4
b)
persoon 1 en 3
c)
persoon 3 en 6
d)
persoon 3 en 7
16.
De overerving van ABO-bloedgroepen vindt als volgt plaats: 
De allelen I(A) en I(B) zijn beide dominant over het recessieve allel i. 
Homozygoot i geeft bloedgroep O; 
I(A)I(B) geeft bloedgroep AB.
De kinderen van een man met bloedgroep A en een vrouw met bloedgroep AB kunnen de volgende bloedgroepen hebben:
a)
alleen AB
b)
alleen A of B
c)
A of B of AB
d)
A of B of AB of O
17.
Een onderzoeker wil experimenten uitvoeren met autotrofe organismen. Hij kan organismen kiezen uit de groepen bacteriën, schimmels en wieren.
Welke organismen kan hij gebruiken?
a)
alle organismen uit de groep wieren en geen uit de andere groepen
b)
alle organismen uit zowel de groep bacteriën als uit de groep schimmels en geen uit de groep wieren
c)
alleen bepaalde organismen uit de groep bacteriën en alle organismen uit de groep wieren; geen uit de groep schimmels
d)
alle organismen uit alle drie de groepen
18.
De Coloradokever leeft onder andere op de Aardappel (Solanum tuberosum L.), op de Tomaat (Solanum lycopersum L.) en op Bitterzoet (Solanum dulcamara L.).
Behoren deze planten tot hetzelfde geslacht? En tot dezelfde soort?
a)
alleen tot hetzelfde geslacht
b)
alleen tot dezelfde soort
c)
zowel tot hetzelfde genus als tot dezelfde soort
19.
De celbouw van de verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken.
Welke organismen hebben een celkern?
a)
alleen de algen en de bacteriën
b)
alleen de algen en de pantoffeldiertjes
c)
alleen de bacteriën en de pantoffeldiertjes
d)
zowel de algen, de bacteriën als de pantoffeldiertjes
20.
Welke van onderstaande stoffen is NIET organisch?
a)
Valine
b)
ATP
c)
Glucose
d)
Koolstofdioxide
21.

Drie cellen in het lichaam van een volwassen man worden met elkaar vergeleken: een spermacel, een spiercel en een zenuwcel.

In welke van deze cellen kan het Y-chromosoom ontbreken?

a)

in geen van deze cellen

b)

alleen in de spermacel

c)

alleen in de zenuwcel

d)

in de spiercel en zenuwcel

22.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

23.

Autotrofe organismen behoren tot de

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten 1e orde

d)

consumenten 2e orde

24.

In welk rijtje staan de woorden in juiste volgorde van klein naar groot?

a)

nucleotide - gen - DNA molecuul - chromosoom - genoom

b)

DNA molecuul - gen - nucleotide - chromosoom - genoom

c)

genoom - gen - nucleotide - DNA molecuul - chromosoom

d)

nucleotide - chromosoom - DNA molecuul - gen - genoom

25.

Welke bewering is of beweringen zijn juist?

1) één gen bezit de informatie voor de synthese van meerdere verschillende soorten eiwitten

2) voor een bepaalde eigenschap krijg je een allel van je vader en een allel van je moeder

a)

alleen bewering 1 is juist

b)

alleen bewering 2 is juist

c)

beide beweringen zijn juist

d)

beide beweringen zijn onjuist

26.

Twee uitspraken:


Uitspraak 1: Het hebben van een erfelijke ziekte is een voorbeeld van een fenotype

Uitspraak 2: Het fenotype is altijd hetzelfde als het genotype

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

27.

Bij de mens komt de zeldzame afwijking albinisme voor met als kenmerken o.a. witte haren en ontbreken van pigment in de iris. Het allel voor albinisme is recessief en X-chromosomaal. Een albino man en een vrouw, die heterozygoot is voor de betrokken eigenschap, krijgen kinderen.


Hoe groot is de kans dat het eerstgeboren meisje een albino is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

28.

Hemofilie is een ziekte bij de mens, die veroorzaakt wordt door het recessieve allel van een gen op het X-chromosoom.

In een bepaalde familie trad deze ziekte al in enkele generaties op. Wanneer in deze familie een vader lijder aan hemofilie is en zijn vrouw noch deze ziekte heeft noch draagster is, kan de ziekte optreden bij......

a)

50% van de dochters

b)

alle dochters

c)

50% van de zoons

d)

geen van de zoons

29.

Onder de inwoners van het afgelegen Italiaanse bergdorpje Limone aan het Gardameer bevindt zich een groep van 46 mensen met een variant van HDL die vet (en daarmee cholesterol) sneller afvoert naar de lever dan normale HDL. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een voorouder uit de 18e eeuw een verandering in een gen voor een HDL-eiwit moet zijn opgetreden. Het dorpje lag lange tijd zeer geïsoleerd. Tot 1932 was er geen weg naar andere dorpen.


Hoe noem je zo'n verandering in een gen?

a)

mutatie

b)

genetische modificatie

c)

biotechnologie

d)

diploïd

30.

Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten'.


Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?

a)

De individuen bij wie de verhouding oppervlakte/inhoud het grootst is.

b)

De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.

c)

De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.

d)

De individuen die het langste leven.

e)

De individuen van de soorten die boven in de voedselpiramide staan.

31.

Als een populatie te klein wordt, neemt de overlevingskans van de populatie sterker af dan op grond van het probleem van paarvorming mag worden verwacht.


Waardoor neemt de kans op overleven af als de populatie kleiner wordt?

a)

een kleine populatie heeft een kleine genetische variatie

b)

een kleine populatie heeft meer emigratie dan immigratie

c)

een kleine populatie is een eenvoudige prooi voor roofdieren

d)

een kleine populatie wordt makkelijk weggeconcurreerd