NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsElektriciteit NOVA 1/2 VMBO-KGT NASK
Total questions: 35
Worksheet time: 18mins
Name
Class
Date
1.
Welke soort batterij zie je hier?
a)
Knoopcel batterij
b)
Penlite AA batterij
c)
Blok batterij
d)
Staaf batterij
2.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
3.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
4.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt? Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
5.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
6.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
7.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
8.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
9.
Hoeveel batterijen zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
10.
27 mA =
a)
2700 A
b)
270 A
c)
0,27 A
d)
0,027 A
11.
16 kV =
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
12.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
13.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
14.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
15.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
16.
Koper is een
a)
goede elektrische geleider
b)
slechte elektrische geleider
17.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
18.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
19.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
20.
Bij welk afval moet je een batterij doen?
a)
Restafval
b)
Groenafval
c)
Lege batterijenbak
d)
Composthoop
21.
Een generator....
a)
Zit op je fiets
b)
Is een grote dynamo
c)
Zit in je huis
22.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
23.
Stroom kan alleen lopen in een .......... stroomkring. WAT MOET ER OP DE STIPPELLIJN STAAN?
a)
Open
b)
Gesloten
c)
Onderbroken
24.
Een stroomkring kan geopend en gesloten worden met een....
a)
Batterij
b)
Lampje
c)
Weerstand
d)
Schakelaar
25.
Onderdelen in een schakelschema worden getekend met....
a)
Symbolen
b)
Schematische tekeningen
c)
Afbeeldingen van het onderdeel
26.
Als je onderdelen in één stroom kring achter elkaar schakelt dan staan ze....
a)
In serie
b)
Parallel
27.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
28.
Heeft elk apparaat hetzelfde vermogen?
a)
Ja
b)
Nee
29.
Het vermogen is de energie die een apparaat....
a)
Per seconde verbruikt
b)
Per minuut verbruikt
c)
Nodig heeft
d)
Oplevert
30.
Vermogen geef je aan in....
a)
Watt (W)
b)
Ampère (A)
c)
Volt (V)
d)
Coulomb (C)
31.
Een geleider laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
32.
Een isolator laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
33.
Kunststof is een goede....
a)
Geleider
b)
Isolator
34.
Wat gebeurt er met het draadje van een smelt-veiligheid (stop) als hij overbelast wordt?
a)
Smelt door
b)
Verbrand
c)
Ontploft
d)
Er gebeurt niks
35.
De aardlek-schakelaar schakelt alle groepen uit als....
a)
Stroom weglekt
b)
Er kortsluiting is
c)
Overbelasting is
Reset
