WorksheetsDe voornaamwoorden
Total questions: 40
Worksheet time: 21mins
Dit is zijn verhaal.
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Ik heb haar nog niet gezien vandaag.
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
We herinneren ons helemaal niets.
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Help je je broer even?
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Kan het zijn dat uw boek daar nog ligt?
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Vind je deze broek leuker dan die daar?
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Ik heb je alles verteld.
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Hij geeft haar hun cadeautje.
Persoonlijk voornamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Wie heb jij afgelopen zomer het meest gemist?
Persoonlijk voornamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Ken je de jongen die daar staat niet? ________zit bij mij in de klas.
Die
Je
Hij
Zij
Goedemorgen jongens en meisjes, weten _______ waar Jan is?
jullie
wij
ons
hij
Gisteren maakten de buren ruzie. We hoorden _____ luid uitschelden.
wij
jullie
ze
haar
Judith zegt:''s Morgens aten ______ lekkere broodjes kaas als ontbijt bij oma thuis."
wij
ik
hij
ons
Heb je mijn sleutel gezien? Ja, ____ ligt onder de tafel.
hem
het
hij
zij
Het huis op de hoek is pas geverfd. _____ is nu wit en blauw. Vroeger waren de kleuren grijs en orange.
Zij
Het
Hij
het
We schilderden ______ gezichten in de kleuren van de vlag.
jou
ons
onze
Heb je Harry ______ schooltas gezien? Cool he! Hij heeft hele mooie keuren erop.
hem
zijn
de
haar
Hebben jullie _______ huiswerk al gemaakt?
je
zijn
ons
jouw
We hebben zoveel te vertellen over _______ vakantie in Miami.
onze
hun
ons
wij
Ik ben volgende week jarig. Ik nodig je uit voor ______ feestje.
jouw
het
mijn
zijn
Vanwege het slechte weer kon de boot niet varen.
het is een bijvoeglijk naamwoord
het is een lidwoord
het is een bezittelijk voornaamwoord
Mijn agenda ligt op mijn bureau.
mijn is een lidwoord
mijn is een bijvoeglijk naamwoord
mijn is een bezittelijk voornaamwoord
Ik begrijp die taal nog niet zo goed
Aanwijzend voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Waarom moeten wij juist kunnen spellen?
Vragend voornaamwoord
Vraagwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Welke functie heeft dit woord in de zin?
Vragend voornaamwoord
Vraagwoord
Persoonlijk voornaamwoord
De toets die wij gemaakt hebben was erg moeilijk.
persoonlijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.
aanwijzend voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Ouders willen hun tijd niet verspillen aan fietsen.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Herinnert u zich nog dat u moet terugbellen?
persoonlijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.
persoonlijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
Ik wil deze toetsen morgen bespreken.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
Wat ik wil zeggen, is dat ik zin heb in weekend.
aanwijzend voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
Die leerling die daar loopt gaat naar de speelplaats.
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
Die leerling die daar loopt, gaat naar de speelplaats.
Aanwijzend voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Wat is het onbepaald voornaamwoord in onderstaande zin?
Iedereen kan de opdracht maken.
kan
de opdracht
maken
iedereen
Wat is het onbepaald voornaamwoord in onderstaande zin?
Ik heb iets gehoord.
Ik
heb
iets
gehoord
Wie weet het antwoord op die vraag?
Betrekkelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Zelfstandig voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Wie weet het antwoord op die vraag?
betrekkelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
zelfstandig voornaamwoord
vragend voornaamwoord
De archeopteryx, die in het late Jura leefde, is een vliegende dinosauriër, die ook wel oervogel genoemd wordt.
betrekkelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
zelfstandig voornaamwoord
vragend voornaamwoord
