wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De voornaamwoorden

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Dit is zijn verhaal.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

2.

Ik heb haar nog niet gezien vandaag.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

3.

We herinneren ons helemaal niets.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

4.

Help je je broer even?

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

5.

Kan het zijn dat uw boek daar nog ligt?

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

6.

Vind je deze broek leuker dan die daar?

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

7.

Ik heb je alles verteld.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

8.

Hij geeft haar hun cadeautje.

a)

Persoonlijk voornamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

9.

Wie heb jij afgelopen zomer het meest gemist?

a)

Persoonlijk voornamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

10.

Ken je de jongen die daar staat niet? ________zit bij mij in de klas.

a)

Die

b)

Je

c)

Hij

d)

Zij

11.

Goedemorgen jongens en meisjes, weten _______ waar Jan is?

a)

jullie

b)

wij

c)

ons

d)

hij

12.

Gisteren maakten de buren ruzie. We hoorden _____ luid uitschelden.

a)

wij

b)

jullie

c)

ze

d)

haar

13.

Judith zegt:''s Morgens aten ______ lekkere broodjes kaas als ontbijt bij oma thuis."

a)

wij

b)

ik

c)

hij

d)

ons

14.

Heb je mijn sleutel gezien? Ja, ____ ligt onder de tafel.

a)

hem

b)

het

c)

hij

d)

zij

15.

Het huis op de hoek is pas geverfd. _____ is nu wit en blauw. Vroeger waren de kleuren grijs en orange.

a)

Zij

b)

Het

c)

Hij

d)

het

16.

We schilderden ______ gezichten in de kleuren van de vlag.

a)

jou

b)

ons

c)

onze

17.

Heb je Harry ______ schooltas gezien? Cool he! Hij heeft hele mooie keuren erop.

a)

hem

b)

zijn

c)

de

d)

haar

18.

Hebben jullie _______ huiswerk al gemaakt?

a)

je

b)

zijn

c)

ons

d)

jouw

19.
Over vijf minuten mogen jullie_______ tassen inpakken en kunnen jullie de klas uit. 
a)
jouw
b)
jullie
c)
hun
d)
mijn
20.

We hebben zoveel te vertellen over _______ vakantie in Miami.

a)

onze

b)

hun

c)

ons

d)

wij

21.

Ik ben volgende week jarig. Ik nodig je uit voor ______ feestje.

a)

jouw

b)

het

c)

mijn

d)

zijn

22.

Vanwege het slechte weer kon de boot niet varen.

a)

het is een bijvoeglijk naamwoord

b)

het is een lidwoord

c)

het is een bezittelijk voornaamwoord

23.

Mijn agenda ligt op mijn bureau.

a)

mijn is een lidwoord

b)

mijn is een bijvoeglijk naamwoord

c)

mijn is een bezittelijk voornaamwoord

24.

Ik begrijp die taal nog niet zo goed

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

25.

Waarom moeten wij juist kunnen spellen?

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Vraagwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

26.

Welke functie heeft dit woord in de zin?

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Vraagwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

27.

De toets die wij gemaakt hebben was erg moeilijk.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

28.

Daarom wil ik graag weten welk cijfer ik gehaald heb.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

29.

Ouders willen hun tijd niet verspillen aan fietsen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

30.

Herinnert u zich nog dat u moet terugbellen?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

31.

Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

32.

Ik wil deze toetsen morgen bespreken.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

33.

Wat ik wil zeggen, is dat ik zin heb in weekend.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

34.

Die leerling die daar loopt gaat naar de speelplaats.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

betrekkelijk voornaamwoord

35.

Die leerling die daar loopt, gaat naar de speelplaats.

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Betrekkelijk voornaamwoord

d)

Bezittelijk voornaamwoord

36.

Wat is het onbepaald voornaamwoord in onderstaande zin?


Iedereen kan de opdracht maken.

a)

kan

b)

de opdracht

c)

maken

d)

iedereen

37.

Wat is het onbepaald voornaamwoord in onderstaande zin?


Ik heb iets gehoord.

a)

Ik

b)

heb

c)

iets

d)

gehoord

38.

Wie weet het antwoord op die vraag?

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

39.

Wie weet het antwoord op die vraag?

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

zelfstandig voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

40.

De archeopteryx, die in het late Jura leefde, is een vliegende dinosauriër, die ook wel oervogel genoemd wordt.

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

zelfstandig voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord