wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Nectar Hoofdstuk 11 Transport

Total questions: 46

Worksheet time: 2hrs 59mins

Name
Class
Date
1.

Een atleet uit Nederland traint enkele maanden in het hooggebergte. Hierna blijkt hij in Nederland tot een grotere prestatie te komen.


Welke verandering in het bloed zal mede tot deze grotere prestatie geleid hebben?

a)

een groter aantal witte bloedcellen

b)

een groter aantal rode bloedcellen

c)

een groter aantal bloedplaatjes

d)

een grotere hoeveelheid bloedplasma

2.

Bij iemand komt een afwijking van de bloedplaatjes voor, waardoor deze hun inhoud niet kunnen afgegeven.


Wat kan daarvan het gevolg zijn?

a)

het bloed stolt te snel

b)

het bloed kan niet stollen

c)

het bloed kan geen zuurstof vervoeren

d)

het bloed kan een virus niet meer aanvallen

3.

Wanneer zijn zowel de hartkleppen tussen de boezems en de kamers, als de kleppen aan het begin van de grote slagaders open (bij een normaal werkend hart)?

a)

tijdens het samentrekken van de boezems

b)

tijdens het samentrekken van de kamers

c)

tijdens de rustpauze van het hart

d)

nooit

4.

Het bloed stroomt van een kuitspier via de longen weer terug naar dezelfde kuitspier. Het bloed gaat daarbij minstens tweemaal door het hart. De weg die het bloed hierbij door het hart aflegt is achtereenvolgens:

a)

linkerkamer - linkerboezem - rechterkamer - rechterboezem

b)

linkerboezem - linkerkamer - rechterboezem - rechterkamer

c)

rechterkamer - rechterboezem - linkerkamer - linkerboezem

d)

rechterboezem - rechterkamer - linkerboezem - linkerkamer

5.

De afbeelding geeft de doorsnede van een bloedvat uit het been van een mens weer.


Is dit een beenader of beenslagader?

Vervoert dit bloedvat zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?

a)

beenader / zuurstofarm

b)

beenslagader / zuurstofarm

c)

beenader / zuurstofrijk

d)

beenslagader / zuurstofrijk

6.

Over het hart van de mens worden twee beweringen gedaan:


1) In de wand van het hart vindt dissimilatie van glucose plaats

2) In de rechterkamer van het hart is de glucoseconcentratie in het bloed lager dan die in de linkerkamer


Welke bewering(en) is of zijn juist?

a)

Alleen bewering 1

b)

Alleen bewering 2

c)

Bewering 1 en 2

d)

Beide zijn onjuist

7.

De bindingskracht tussen hemoglobine en koolmonoxide is groter dan die tussen hemoglobine en zuurstof.

Verschijnselen van koolmonoxidevergiftiging worden dan ook veroorzaakt doordat

a)

koolmonoxide aan de cellen wordt afgegeven

b)

veel rode bloedcellen geen zuurstof meer kunnen binden

c)

zuurstof nu gebonden blijft aan de hemoglobine

d)

er nu veel kooldioxide vrijkomt

8.

De tekening stelt twee typen bloedcellen in een haarvat voor. In welke van de genummerde cellen bevindt zich hemoglobine? Bij welk proces heeft hemoglobine een functie?

a)

1 / bij het stollen van bloed

b)

1 / vervoer van zuurstof

c)

2 / bij het stollen van bloed

d)

2 / vervoer van zuurstof

9.

De kransaders voeren bloed uit het hartspierweefsel. Dit bloed kan terechtkomen in o.a. het hart, de hersenen, de longen en organen in de buikholte.


Waar komt het bloed het eerst?

a)

in het hart

b)

in de hersenen

c)

in de longen

d)

in de buikholte

10.

Bloed wordt soms gebruikt voor microscopisch onderzoek verdund met een 0,9% NaCl-oplossing. Bij gebruik van zuiver water i.p.v. deze zoutoplossing kan geen juist beeld van de rode bloedcellen verkregen worden.


Dat komt doordat rode bloedcellen in zuiver water:

a)

aan elkaar plakken

b)

krimpen

c)

barsten

d)

oplossen

11.

Bekijk onderstaande stellingen:


1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen


Welke is/zijn juist of onjuist?

a)

Beide juist

b)

Alleen 1 is juist

c)

Alleen 2 is juist

d)

Beide onjuist

12.

Een kransslagader van de mens is een aftakking van

a)

de aorta

b)

de armslagader

c)

de halsslagader

d)

de longslagader

13.

Cellen in de wand van de luchtpijp van de mens krijgen door bepaalde bloedvaten zuurstofrijk bloed toegevoerd.


Behoren deze bloedvaten tot de kleine of grote bloedsomloop?


Zijn deze bloedvaten vertakkingen van aders of slagaders?

a)

kleine / aders

b)

kleine / slagaders

c)

grote / aders

d)

grote / slagaders

14.

Bij de mens worden het begin van de longslagader en het begin van de aorta vergeleken met betrekking tot de volgende grootheden:


1) de bloeddruk

2) het aantal rode bloedcellen per mL bloed

3) het koolstofdioxidegehalte van het bloed

4) de hoeveelheid bloed die per minuut door het desbetreffende bloedvat stroomt


Welke van deze grootheden hebben vrijwel dezelfde waarde in het begin van de longslagader en in het begin van de aorta?

a)

1 en 3

b)

1 en 4

c)

2 en 3

d)

2 en 4

15.

Een via de leverader afgevoerd molecuul koolstofdioxide wordt bij de mens door een long uitgescheiden.


Door welke bloedvaten gaat dit molecuul in ieder geval?

a)

door een holle ader en een longslagader

b)

door een holle ader en een longader

c)

door een longslagader en de aorta

d)

door een longslagader en een longader

16.

Bloedvaten kunnen verschillende kenmerken hebben, bijv:


1) het bloed in het bloedvat is zuurstofrijk

2) in het bloedvat zijn kleppen aanwezig

3) de wand van het bloedvat is sterk gespierd


Welk(e) van deze kenmerken geldt (gelden) voor iedere slagader?

a)

1, 2 en 3

b)

1 en 2

c)

1 en 3

d)

alleen 3

17.

Op welke plaatsen in de afbeelding kan bloed met vrijwel dezelfde samenstelling worden aangetroffen?

a)

op de plaatsen 1, 2 en 3

b)

op de plaatsen 4, 5 en 6

c)

op de plaatsen 7, 8 en 9

d)

op de plaatsen 3, 6 en 9

18.

Bij zoogdieren is de wand van de linkerkamer dikker dan die van de rechterkamer. Dit staat in verband met het feit dat de linkerkamer:

a)

kleiner is dan de rechter hartkamer en daardoor sneller moet kunnen pompen

b)

slechts zuurstofarm bloed ontvangt en dit bloed snel moet kunnen afvoeren

c)

het bloed door het sterkt vertakte haarvatennet van de longen moet pompen

d)

het bloed door het hele lichaam, behalve de longen, moet pompen

19.

De aorta komt uit de ...

a)

Linkerkamer

b)

Rechterkamer

c)

Linkerboezem

d)

Rechterboezem

20.
In de buis zie je onderin een rode vloeistof. Waaruit bestaat het onderste gedeelte?
a)

Hemoglobine

b)

Bloedcellen

c)

Bloedplasma

d)

Witte bloedcellen

21.

In de afbeelding zie je een schematische weergave van de bloedsomloop.

Als een rode bloedcel van de longhaarvaten naar de benen gaat, dan moet het minimaal (a)   keer door het hart.

22.

In de afbeelding zie je een schematische weergave van de bloedsomloop.

Als een glucose molecuul van de darmhaarvaten naar de benen gaat, dan moet het minimaal (a)   keer door het hart.

23.

In welk type bloedvat is de bloeddruk het hoogst?

a)

in de aders

b)

in de haarvaten

c)

in de slagaders

24.

Stelling A en B gaan over afb. 1:

A Het bloed stroomt in de richting van pijl S

B Dit is een haarvat

a)

A = juist

B = juist

b)

A = onjuist

B = juist

c)

A = juist

B = onjuist

d)

A = onjuist

B = onjuist

25.

Wat is waar?

a)

De stroomrichting in de kleine bloedsomloop is:

rechterkamer -> longslagader ->longen -> longader ->linkerboezem.

b)

De boezems pompen het bloed in de aorta en de longslagader.

c)

De longslagader bevat zuurstof rijk bloed

d)

In het hart stroom bloed van de kamers naar de boezems

26.

Door welke van deze bloedvaten stroomt ALTIJD zuurstofrijk bloed? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

longader

b)

longslagader

c)

kransslagader

d)

holle ader

e)

aorta

27.

Welk van de onderstaande antwoorden geeft een beschrijving van haarvaten? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn

a)

Hier stroomt zuurstofarm bloed doorheen

b)

Witte bloedcellen kunnen door de wand heen

c)

De wand is maar één cellaag dik

d)

Deze hebben een hoge bloeddruk

28.

De afbeelding laat een schematische weergave zien van de bloedsomloop. Het orgaan waarbij de letter A staat is de (a)  

29.

Wat is de functie van de hartkleppen?

a)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de boezems naar de kamers

b)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de kamers naar de boezems

c)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de kamers naar de longslagader en de aorta

d)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de kamers naar de longslagadereen de aorta

30.

Wat is de functie van de halvemaanvormige kleppen?

a)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de boezems naar de kamers

b)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de kamers naar de boezems

c)

verhinderen dat het bloed terugstroomt van de kamers naar de longslagader en de aorta

d)

verhinderen dat het bloed vanuit de longslagader en de aorta terugstroomt in de kamers

31.

In de afbeelding zie je een doorsnede van het hart.

Met welk nummer wordt de aorta aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 4

c)

nummer 6

d)

nummer 7

32.

In de afbeelding zie je een doorsnede van het hart.

Met welk nummer wordt de linkerkamer aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 4

c)

nummer 6

d)

nummer 7

33.

In de afbeelding zie je een doorsnede van het hart.

Met welk nummer wordt de holle ader aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 4

c)

nummer 6

d)

nummer 7

34.

In de afbeelding zie je een doorsnede van het hart.

Met welk nummer wordt de longader aangegeven?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 7

35.

Wat is weefselvloeistof en waar bevindt het zich?

a)

Water met rode bloedcellen tussen de organen

b)

Water met witte bloedcellen in de bloedvaten

c)

Water met opgeloste stoffen tussen de cellen van organen

d)

Water met zuurstof in de lymfevaten

36.

Wat is de samenstelling van lymfe?

a)

Water met rode bloedcellen

b)

Water met witte bloedcellen en opgeloste stoffen

c)

Bloedplaatjes en plasma

d)

Hemoglobine en glucose

37.

Wat is de functie van de kleppen in de lymfevaten?

a)

Het reguleren van de bloeddruk

b)

Het voorkomen van terugstroom van lymfe

c)

Het transporteren van zuurstof

d)

Het produceren van hormonen

38.

Waar monden de twee grote lymfevaten (rechterlymfestam en de borstbuis) uiteindelijk uit?

a)

In de longen

b)

In de maag

c)

In de nieren

d)

In de aders onder de sleutelbeenderen

39.

Waar bevinden zich lymfeknopen in het lichaam?

a)

In de longen

b)

In de buikholte

c)

In de hals, oksels en liezen

d)

In de nieren

40.

Wat is de rol van lymfeknopen in het lichaam?

a)

Het opslaan van zuurstof

b)

Het zuiveren van de lymfe van ziekteverwekkers

c)

Het transporteren van hormonen

d)

Het produceren van glucose

41.

In de weefsels verlaten water en opgeloste stoffen het bloed dat in de haarvaten aanwezig is. Vanuit de weefsels keert ook weer vocht terug in het bloed.


Via welke weg kan vocht vanuit de weefsels terugkeren in het bloed?

a)

Alleen door de wanden van de haarvaten heen

b)

Alleen via vervoer door lymfevaten

c)

Zowel door de wanden van de haarvaten heen als via vervoer door lymfevaten

42.

Het bloed dat een bepaald hersengebied verlaat, is zuurstofarm.


In welk van de volgende bloedvaten is dit bloed voor het eerst weer zuurstofrijk?

a)

in de halsader

b)

in de halsslagader

c)

in de longader

d)

In een longslagader

43.

Tijdens de systole trekken de kamers zich samen en tijdens de diastole ontspannen ze zich. Er zijn verschillende kleppen met letters aangegeven.


Welke kleppen zijn tijdens de diastole (hartrust) gesloten?

a)

De kleppen P en Q

b)

De kleppen P en S

c)

De kleppen Q en R

d)

De kleppen R en S

44.

Bij een bepaalde hartafwijking sluit de slagaderklep van de aorta niet goed. Wat zal het gevolg hiervan zijn voor de patiënt?

a)

Er stroomt bloed uit de aorta terug de linkerkamer in

b)

Er stroomt te weinig bloed uit de linkerkamer naar de aorta

c)

Er stroomt teveel bloed vanuit de linkerboezem de linkerkamer in

d)

Er stroomt bloed uit de aorta terug de rechterkamer in

45.

Buiten het hart komen kleppen voor. Bloedvaten die in het lichaam zijn: de onderste holle ader, haarvaten van de hartspier, een kransslagader, een beenader.


In welke van deze bloedvaten bevinden zich kleppen? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk

a)

holle ader

b)

haarvaten van de lever

c)

kransslagader

d)

beenader

e)

aorta

46.

Om uit te zoeken of iemand drager is van een bepaald gendefect, kan aan de hand van een bloedmonster DNA uit de chromosomen onderzocht worden.

Welk bestanddeel van het bloed kan gebruikt worden voor het opsporen van een eventueel gendefect aan de hand van DNA uit de chromosomen?

a)

Bloedplaatjes

b)

Bloedplasma

c)

rode bloedcellen

d)

witte bloedcellen