NEW
Font size
Worksheets4.2 Het Voorzetselvoorwerp
Total questions: 22
Worksheet time: 11mins
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Wij rekenen op een kladblaadje.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Wij rekenen op je komst.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
De leerlingen hingen aan haar lippen.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
De leerlingen hingen aan het rek.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Blijf met je vingers van mijn auto af.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Blijf met je vingers van mijn auto af.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Mijn jas hangt aan de kapstok..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Ik verwonder me over zijn gedrag..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Ik sta te wachten op mijn moeder..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
De hondjes wachten op hun brokjes..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
De hondjes wachten op straat..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
De leraar ergert zich aan de muziek..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Mijn moeder wacht op de nieuwe wasmachine..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Mijn broer wacht op de bus..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Op de donderdagen gaf ik naar altijd gitaarles..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Zij is niet tevreden met haar computer..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Zij is erg geschikt voor dit werk..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Anne koopt brood bij de bakker..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Het meisje hing aan zijn lippen..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Ik hou van mijn liefje..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Ik verwonder me over zijn gedrag..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?
Mijn broer wacht op de bus..
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
