wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4.2 Het Voorzetselvoorwerp

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op een kladblaadje.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

2.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Wij rekenen op je komst.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

3.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan haar lippen.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

4.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leerlingen hingen aan het rek.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

5.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

6.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

7.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn jas hangt aan de kapstok..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

8.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Ik verwonder me over zijn gedrag..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

9.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Ik sta te wachten op mijn moeder..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

10.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De hondjes wachten op hun brokjes..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

11.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De hondjes wachten op straat..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

12.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


De leraar ergert zich aan de muziek..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

13.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn moeder wacht op de nieuwe wasmachine..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

14.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn broer wacht op de bus..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

15.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Op de donderdagen gaf ik naar altijd gitaarles..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

16.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Zij is niet tevreden met haar computer..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

17.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Zij is erg geschikt voor dit werk..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

18.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Anne koopt brood bij de bakker..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

19.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Het meisje hing aan zijn lippen..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

20.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Ik hou van mijn liefje..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

21.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Ik verwonder me over zijn gedrag..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

22.

Benoem het onderstreepte zinsdeel. VZV of BWB ?


Mijn broer wacht op de bus..

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling