WorksheetsTekst 18A
Total questions: 16
Worksheet time: 19mins
Welke van de onderstaande beweringen is/ zijn juist over het woord πιουσα (1):
Het congrueert met το αιμα (1)
Het congrueert met η μητηρ (1)
Het is een ptc aoristus
Het is een ptc praesens
Welke benoeming van δακρυσασα (2) is correct?
aor. ptc. act. nom.ev.v.
aor. ptc. med. nom.mv.o.
praes. ptc. act. acc.ev.m.
aor. ptc. pas. nom.ev.v.
De moeder van Odysseus herkent hem (αυτικα μ ανεγνω), uit welke woorden uit vervolg blijkt dit het duidelijkst?
τεκνον εμον (3)
ζωος ων (3)
χαλεπον (3)
εἰς την Ιθακην
Welke benoeming van ηλθες (3) is juist?
2e ev ind aor act
2e ev ind aor pas
nom.mv.m
2e ev ind imperf
Wat houdt ταδε (4) in?
De onderwereld
de tranen van zijn moeder
de terugkomst uit Troje
Dode familieleden
Welk van de onderstaande beweringen zijn juist?
αφικου (4), ηλθες (5) ειδες (6) zijn aoristusvormen
αφικου (4) is een imperfectum, ηλθες (5) en ειδες (6) zijn aoristus
De benoeming van αφικου (4), ηλθες (5) ειδες (6) is geheel hetzelfde
αφικου (4), is een medium vorm, ηλθες (5) is een passieve vorm en ειδες (6) is een actieve vorm
αφικου (4), is een medium vorm, ηλθες (5) en ειδες (6) zijn actieve vormen
Welke van de onderstaande bewering over regel 6 is juist?
Alle zelfstandig naamwoorden hebben hetzelfde geslacht
In r. 6 staat een mnl, vrl, en onz. zelfstandig naamwoord.
In r. 6 staan twee mannelijke en 1 vrouwelijk zelfstandig naamwoord
Wie is de αυτη in r. 7
Moeder van Odysseus
Kirke
Odysseus zelf
Wat is de 1e ev. ind. praes. act. van κατηγαγεν (7)?
κατηγαγω
καταγαγω
καταγω
Die bestaat niet
In welk citaat geeft Odysseus de reden voor zijn afdaling naar de onderwereld?
το χρεος ... χρησθαι (7-8)
ου γαρ ... γης (8-9)
αει ....Ιλιον (9-10)
συ ... απεθανες (11-12)
Welke benoeming van πενθει (13) is juist?
nom.mv.m
dat.ev.o
dat.ev.m
Welke beweringen over απεκρινατο (12) zijn juist?
Het is aoristus
Het is imperfectum
Het is een passief gebruikt medium
Het is een medium tantum/ deponens
Het is actief
Welke beweringen over προτεινων (15) zijn waar?
Het is een participium
Het is praesens
Het is aoristus
Het is nom.mnl.
Het is 1e ev. ind.
Welke beweringen zijn waar over επειραθην (15)
Het is aoristus
Het is medium
Het is passief
Het is een participium
Dit werkwoord bestaat niet in het actief
ελειν en φιλειν staan in dezelfde tijd.
Waar
Niet waar
Welke onderdelen van ons verdwijnen na de dood volgens deze tekst?
σαρκας (21)
οστα (21)
ψυχη (23)
θανατον (21)
