wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Blok 3 en 4, grammatica spelling over taal

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke opsomming bevat alleen maar voorzetsels:

a)

van, op, onder, enthousiaste, bij, naast, overheen

b)

in, achter, over, langs, aan, houten, voor

c)

door, van, onder, in, uit, over, naast, bij

d)

na, van, met, tegen, naast, voor, in, uitzwaaien

2.

Hij geeft de bal aan Elisabeth. De bal is:

a)

meewerkend voorwerp

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

3.

Het frikandelbroodje wordt aan mij gegeven. Aan mij is:

a)

meewerkend voorwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

onderwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

4.

Mevrouw Groenendijk geeft de brieven aan hun. Hun is:

a)

goed gebruikt hier. Het is immers lijdend voorwerp.

b)

goed gebruikt hier. Het is immers meewerkend voorwerp.

c)

fout gebruikt hier. Het moet zijn zij.

d)

fout gebruikt hier. Het moet zijn hen, omdat 'aan' ervoor staat.

5.

Hun schrijven foutloos Nederlands. Hun is:

a)

Fout. Het moet zijn hen.

b)

Fout. Het moet zijn 'zij', want het is hier het onderwerp.

c)

Goed.

6.

Hij feliciteert mij. Feliciteert is:

a)

Goed geschreven. In de tweede en derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, schrijf je ik-vorm + t

b)

Fout geschreven. Het moet zijn feliciteerd. Ik weet niet waarom

c)

Fout geschreven. Het moet zijn feliciteerd, omdat de 'r' (stam: feliciter-) niet in 't kofschip zit.

d)

Fout. Het moet zonder t, want mij staat erachter.

7.

Bacterieën

a)

Goed geschreven. De klemtoon valt immers op de laatste lettergreep.

b)

Fout geschreven. De klemtoon valt immers op de eerste lettergreep.

c)

Fout geschreven. De klemtoon valt immers op de tweede lettergreep.

d)

Goed geschreven. De klemtoon valt immers op de tweede lettergreep.

8.

de .... (katoen) poppenkleertjes

a)

katoen

b)

katoens

c)

katoenen

d)

katoene

9.

'De aangebrandde frietjes'. Aangebrandde is goed/ fout gespeld:

a)

Goed. Het is een bijvoeglijk naamwoord van een voltooid deelwoord en dat schrijf je zo kort mogelijk.

b)

Fout. Het is een bijvoeglijk naamwoord van een voltooid deelwoord en dat schrijf je zo kort mogelijk.

c)

Goed. Je hebt dubbel d nodig voor de correcte uitspraak.

d)

Goed. Als de zin in de verleden tijd staat dan is het bijvoeglijk naamwoord zo goed gespeld.

10.

definitie

a)

omschrijving

b)

toestand

c)

armoedig

d)

samenhang

11.

Samenstellingen zijn:

a)

buigen - de buiging

b)

hondenhok - de relatie

c)

relateren - relatief

d)

fietsenhok - boterhamtrommel

12.

komisch - komischer - .....

a)

komischst

b)

komiek

c)

komiekst

d)

meest komisch

13.

De kikkers plonst in de vijver. 'In de vijver' is:

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

14.

Ik geef mijn fiets aan haar in de garage. Het bouwplan van deze zin is:

a)

meewerkend voorwerp / wwg / lijdend voorwerp / onderwerp / wwg

b)

onderwerp / wwg / lijdend voorwerp / meewerkend voorwerp / bijwoordelijke bepaling

c)

onderwerp / wwg/ meewerkend voorwerp / lijdend voorwerp / lijdend voorwerp

d)

wwg / onderwerp / meewerkend voorwerp / lijdend voorwerp / bijwoordelijke bepaling

15.

Voorbeelden van persoonlijk voornaamwoorden:

a)

ik, mij, jou, je, hij, hem, wij, ons, zij, hen, hun

b)

ik, u, jullie, aan hen, aan mij, voor ons, die, dat

c)

die, dat, deze

d)

in, op, van, voor, onder, met, vanwege

16.

Welke samenstellingen zijn correct geschreven:

a)

zonnenschijn, rijstenpap, reuzengoed, vitaminenpil

b)

zonneschijn, rijstepap, reuzegoed, vitaminenpil

c)

zonneschijn, rijstepap, reuzenleuk, vitaminepil

d)

zonneschijn, rijstepap, reuzeleuk, vitaminepil

17.

Welk rijtje bevat alleen correcte verkleinwoorden:

a)

sprayetje, lollietje, mp4-tje

b)

spraytje, lollytje, mp4-tje

c)

spraytje, lollitje, mp4'tje

d)

spraytje, lollietje, mp4'tje

18.

nadrukkelijk

a)

expliciet

b)

impliciet

c)

indicatie

d)

strategie

19.

....paar, ....schoenen, stoelen....

a)

werk

b)

echt

c)

kussen

d)

dans

20.

Tijdens de wedstrijd, .... een eeuwigheid leek te duren, maakte het team geen enkel doelpunt.

a)

dat

b)

dit

c)

deze

d)

die