wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Deel Les 3 - Beloven en doen is twee

Total questions: 33

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.
Welk signaalwoord geeft een opsomming aan?
a)
ook
b)
maar
c)
eerst
d)
doordat
2.
Welk signaalwoord geeft aan dat er sprake is van een tegenstelling?
a)
maar
b)
tevens
c)
dan
d)
als
3.
Welk signaalwoord geeft aan dat er een voorbeeld volgt?
a)
zo
b)
net als
c)
omdat
d)
bovendien
4.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
5.
Welk signaalwoord geeft aan dat er een reden volgt?
a)
omdat
b)
ook
c)
vroeger
d)
wanneer
6.

Welk verband zie tussen deze zinnen?

Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologie

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

7.

Van welk verband is hier sprake?

Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Uitspraak-voorbeeld

8.

Welk verband zie je tussen deze zinnen. Van te veel uv-straling kun je kanker krijgen. Daarom moet je je goed insmeren.

a)

Uitspraak-voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

9.

Welk verband zie je tussen deze zinnen. Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Uitspraak-voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

10.

Welk verband zie je tussen deze zinnen: Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Uitspraak-reden

11.

Welk tekstverband zie je tussen de delen van deze zinnen?

Homer heeft een goed resultaat, omdat hij hard geleerd heeft.

a)

Opsomming

b)

Vergelijking

c)

Chronologie

d)

Oorzaak-gevolg

12.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

13.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

14.

Omdat ik kapper wil worden, volg ik deze opleiding.

a)

'Omdat' kondigt een reden aan

b)

'Omdat' kondigt een vergelijking aan

15.

Doordat het regent, is mijn jas nat.

a)

Dit is een reden

b)

Dit is een oorzaak-gevolg verband

16.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

17.

De volgende signaalwoorden horen bij een vergelijkend verband: zoals, evenals, beter dan.

a)

Juist

b)

Fout

18.

Van welk verband is hier sprake?

Zals mijn opa, houd ik erg van tennis.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Vergelijkend

19.

Signaalwoorden zijn:

a)

Hetzelfde als verwijswoorden

b)

Woorden die bij tekstverbanden horen

c)

Woorden die signalen afgeven

d)

Die, dat, deze, daar,

20.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

21.

Deze afbeelding is een samenvatting van een tekst met een ... structuur.

a)

Opsommende

b)

Tegenstellende

c)

Chronologische

d)

Vergelijkende

22.

Deze afbeelding is een tekst met een ... structuur.

a)

Opsommende

b)

Chronologische

c)

Vergelijkende

d)

Oorzaak-gevolg

23.

Deze afbeelding is een tekst met een ... structuur.

a)

Opsommende

b)

Chronologische

c)

Vergelijkende

d)

Oorzaak-gevolg

24.

... je besluit die iPhone te kopen, kan je niet op vakantie.

a)

Omdat

b)

Dus

c)

Daardoor

d)

Waarom

25.

Je hebt vijf onvoldoendes op je rapport. Je zult ...harder moeten gaan werken

a)

omdat

b)

en

c)

dus

d)

waarom

26.

Welk verband zie je tussen deze zinnen: Het regent buiten. Daarom blijven we binnen.

a)

Oorzaak-gevolg

b)

Vergelijking

c)

Tegenstelling

d)

Opsomming

27.

Wat voor verband is er tussen deze zinnen: Hij studeert hard. Daarom hoopt hij op een goed cijfer.

a)

Oorzaak-gevolg

b)

Tegenstelling

c)

Vergelijking

d)

Opsomming

28.

Welke signaalwoorden geven een tegenstelling aan?

a)

maar, echter, toch

b)

en, ook, bovendien

c)

ten eerste, ten tweede

d)

omdat, want, daardoor

29.

Welke signaalwoorden geven een chronologisch verband aan?

a)

en, ook, bovendien

b)

omdat, want, daardoor

c)

maar, echter, toch

d)

eerder, later, vervolgens

30.

Welk verband zie je tussen deze zinnen: Hij heeft hard gewerkt. Daarom heeft hij de prijs gewonnen.

a)

Vergelijking

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Opsomming

31.

Welk signaalwoord geeft aan dat er een reden volgt?

a)

omdat

b)

maar

c)

en

d)

toch

32.

Wat voor verband is er tussen deze zinnen: Hij heeft de trein gemist. Daarom is hij te laat op zijn werk.

a)

Opsomming

b)

Vergelijking

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

33.

Welke signaalwoorden geven een opsomming aan?

a)

ten eerste, ten tweede

b)

maar, echter

c)

omdat, want

d)

en, ook, bovendien