WorksheetsSpelling persoonsvorm t.t. en vt
Total questions: 16
Worksheet time: 8mins
De groentesoep (verspreiden) gisteren een heerlijke geur
verspreid
verspreidt
verspreide
verspreidde
Edward (vinden) dat een goed idee.
vind
vindt
Wat (bedoelen) u met deze opmerking?
bedoelt
bedoeld
bedoeldt
Het (worden) morgen mooi weer.
wort
word
wordt
Die man vergoe...e alle onkosten.
vergoede
vergoedde
vergoete
vergoedt
Betaal... u met een cheque?
betaald
betaaldt
betaalt
Waarom beantwoor... u mijn brieven niet?
beantwoort
beantwoord
beantwoordt
Vergoe... jij alle schade?
vergoet
vergoed
vergoedt
Vergoe... hij alle schade?
vergoet
vergoed
vergoedt
Vergoe... je broer alle schade?
vergoet
vergoed
vergoedt
Die voetballer rich...e de bal op de binnenkant paal.
richte
richtte
richde
richdte
De loodgieter dich...e het gat met stopverf.
dichte
dichtte
dichde
dichdte
Die vreemde man belan... nog eens in de gevangenis. (belanden)
beland
belant
belandt
Waarom lui... de pastoor de klokken?
luid
luit
luidt
Vermoe... jij dat het feest niet doorgaat?
vermoet
vermoed
vermoedt
Het verbaas... me, dat er nog niet gereageerd is.
verbaast
verbaasd
verbaasdt
