wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsdelen

Total questions: 20

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik heb een puzzel gekregen van oma.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

2.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Roy gaf mij een boek voor mij verjaardag.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

3.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Van mijn ouders kreeg ik een typecursus.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

4.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik heb geen geluk deze keer.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

5.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


De eekhoorn heeft een nootje.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

6.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Het diertje bewaart een voorraad in het bos.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

7.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik heb al veel natuurfoto's verzameld.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

8.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Mijn zus had ook een saai cadeau.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

9.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik zie een eekhoorn in de boom.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

10.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Mijn moeder had gelukkig wel een lekkere taart gebakken.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

11.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Vanmiddag gaan we een map kopen voor de foto's.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

12.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


De zeeverkenners hebben een eigen schip.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

13.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Elke zaterdag gaan ze ermee varen.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

14.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Het schip vaart best langzaam.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

15.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


De schipper geeft aanwijzingen aan de zeeverkenners.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

16.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


In de zomer gaan we een hele week varen.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

17.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik heb veel lol bij de zeeverkenners.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

18.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik bekeek een schilderij in een museum.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

19.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Ik maakte er toen een foto van.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp

20.

Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?


Bij het inzoomen ontdekte ik een maf figuurtje.

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Werkwoordelijk gezegde

d)

Lijdend voorwerp