NEW
Font size
WorksheetsZinsdelen
Total questions: 20
Worksheet time: 3600secs
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik heb een puzzel gekregen van oma.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Roy gaf mij een boek voor mij verjaardag.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Van mijn ouders kreeg ik een typecursus.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik heb geen geluk deze keer.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
De eekhoorn heeft een nootje.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Het diertje bewaart een voorraad in het bos.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik heb al veel natuurfoto's verzameld.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Mijn zus had ook een saai cadeau.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik zie een eekhoorn in de boom.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Mijn moeder had gelukkig wel een lekkere taart gebakken.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Vanmiddag gaan we een map kopen voor de foto's.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
De zeeverkenners hebben een eigen schip.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Elke zaterdag gaan ze ermee varen.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Het schip vaart best langzaam.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
De schipper geeft aanwijzingen aan de zeeverkenners.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
In de zomer gaan we een hele week varen.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik heb veel lol bij de zeeverkenners.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik bekeek een schilderij in een museum.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Ik maakte er toen een foto van.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Wat voor zinsdeel is het gekleurde woord?
Bij het inzoomen ontdekte ik een maf figuurtje.
Persoonsvorm
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
