NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsJe lichaam werkt VWO
Total questions: 37
Worksheet time: 37mins
Name
Class
Date
1.
Juist of onjuist?
Een groep cellen met dezelfde bouw en taak heet een orgaanstelsel
Een groep cellen met dezelfde bouw en taak heet een orgaanstelsel
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Welke functie heeft het zenuwstelsel?
a)
Organen laten werken en samenwerken
b)
Fijnmaken van voedsel tot voedingsstoffen die naar je bloed kunnen gaan
c)
Opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide
d)
Vervoeren van stoffen
3.
In je cellen wordt brandstof verbrand met behulp van zuurstof. Hierbij komt energie vrij.
Welke stof wordt er verbrand?
Welke stof wordt er verbrand?
a)
Water
b)
Koolstofdioxide
c)
Energie
d)
Glucose
4.
Wat is vertering?
a)
Energie in voedingsstoffen gebruiken om te bewegen
b)
Voedingsstoffen opnemen in het bloed
c)
Voedingsstoffen gebruiken om cellen te bouwen
d)
Voedingsstoffen klein maken zodat ze in het bloed kunnen worden opgenomen
5.
Welke rol spelen enzymen bij vertering?
a)
Ze knippen voedingsstoffen in kleine stukken
b)
Ze bouwen nieuwe cellen met de voedingsstoffen
c)
Ze brengen de voedingsstoffen uit je voedsel naar de organen
d)
Ze gebruiken de energie in voedingsstoffen
6.
Elza doet onderzoek naar enzymen in wasmiddel bij 25 graden celsius.
In de afbeelding zie je twee enzymen waar Elza uit kan kiezen, enzym A en enzym B om haar wasmiddel te verbeteren. Welke moet zij kiezen?
In de afbeelding zie je twee enzymen waar Elza uit kan kiezen, enzym A en enzym B om haar wasmiddel te verbeteren. Welke moet zij kiezen?
a)
Enzym A
b)
Enzym B
7.
Sara verslikt zich in een beschuit. Ze moet flink hoesten om de kruimels kwijt te raken. Welk onderdeel heeft zijn taak niet goed uitgevoerd?
a)
Huig
b)
Strotklepje
8.
De vader van Ellen heeft maagkanker gehad, waarna zijn hele maag verwijderd is.
Welk gevolg klopt niet met deze ingreep?
Welk gevolg klopt niet met deze ingreep?
a)
Voedsel kan niet meer worden gekneden
b)
Bacteriën worden niet meer gedood door maagzuur
c)
Er vindt alleen nog maar eiwitvertering in de twaalfvingerige darm
d)
Er vindt alleen nog maar zetmeel afbraak plaats in de twaalfvingerige darm
9.
Bij een adembeweging ontspannen de tussenribspieren en middenrifspieren. Wat gebeurt hierdoor?
a)
Borstkas wordt groter, je ademt in
b)
Borstkas wordt groter, je ademt uit
c)
Borstkast wordt kleiner, je ademt in
d)
Borstkas wordt groter, je ademt uit.
10.
Als je hoest trekken de spieren in je buikwand samen. Gaat het middenrif daardoor omhoog of omlaag? Stroomt er lucht naar binnen of naar buiten?
a)
Middenrif gaat omhoog en lucht stroomt naar binnen
b)
Middenrif gaat omhoog en lucht stroomt naar buiten
c)
Middenrif gaat omlaag en lucht stroomt naar binnen
d)
Middenrif gaat omlaag en lucht stroomt naar buiten
11.
In de longblaasjes vindt gaswisseling plaats. Welke zinnen beschrijven wat er gebeurt bij deze gaswisseling?
1 Zuurstof gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
2 Zuurstof gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
3 Koolstofdioxide gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
4 Koolstofdioxide gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
1 Zuurstof gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
2 Zuurstof gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
3 Koolstofdioxide gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
4 Koolstofdioxide gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
a)
Zin 1 en 2
b)
Zin 1 en 3
c)
Zin 2 en 3
d)
Zin 2 en 4
12.
Tamara en Roy vergelijken de samenstelling van ingeademde lucht en uitgeademde lucht. Ze doen allebei een uitspraak hierover.
Roy: Ingeademde lucht bevat minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht. Tamara: Uitgeademde lucht bevat meer waterdamp dan ingeademde lucht.
Wie heeft gelijk?
Roy: Ingeademde lucht bevat minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht. Tamara: Uitgeademde lucht bevat meer waterdamp dan ingeademde lucht.
Wie heeft gelijk?
a)
Roy
b)
Tamara
c)
Roy en Tamara
d)
Geen van beide
13.
Sven en Oscar houden zo lang mogelijk hun adem in.
Wordt het koolstofdioxidegehalte in hun bloed daardoor groter of kleiner?
Wordt het koolstofdioxidegehalte in hun bloed daardoor groter of kleiner?
a)
Groter
b)
Kleiner
14.
Hanna heeft last van hyperventilatie. Haar ademhaling gaat veel te snel.
Wordt haar koolstofdioxidegehalte van haar bloed daardoor groter of kleiner?
Wordt haar koolstofdioxidegehalte van haar bloed daardoor groter of kleiner?
a)
Groter
b)
Kleiner
15.
Kim veegt de schuur, hierbij ontstaan grote stofwolken. Kan zij het beste door haar mond of door haar neus ademhalen?
a)
Mond
b)
Neus
16.
Rosa en Twan vergelijken de samenstelling van ingeademde lucht en uitgeademde lucht. Ze doen allebei een uitspraak hierover.
Rosa: Ingeademde lucht bevat minder zuurstof dan uitgeademde lucht.
Twan: Ingeademde lucht bevat minder waterdamp dan uitgeademde lucht.
Wie heeft gelijk?
Rosa: Ingeademde lucht bevat minder zuurstof dan uitgeademde lucht.
Twan: Ingeademde lucht bevat minder waterdamp dan uitgeademde lucht.
Wie heeft gelijk?
a)
Rosa
b)
Twan
c)
Rosa en Twan
d)
Geen van beide
17.
Welk van de onderstaande stellingen zijn onjuist?
1. Bloedplasma bestaat uit bloedcellen.
2. In rode bloedcellen zit hemoglobine.
3. Bloed is rood door hemoglobine.
4. Witte bloedcellen vervoeren koolstofdioxide
1. Bloedplasma bestaat uit bloedcellen.
2. In rode bloedcellen zit hemoglobine.
3. Bloed is rood door hemoglobine.
4. Witte bloedcellen vervoeren koolstofdioxide
a)
1 en 2 zijn onjuist
b)
2 en 3 zijn onjuist
c)
3 en 4 zijn onjuist
d)
1 en 4 zijn onjuist
18.
Jet en Anne bekijken een afbeelding van een bloedvat zonder kleppen, maar met een gespierde wand.
Jet zegt: 'Het bloedvat is een slagader want het heeft een gespierde wand.'
Anne zegt: 'Het is een ader, want er ontbreken kleppen.'
Wie heeft of wie hebben gelijk?
Jet zegt: 'Het bloedvat is een slagader want het heeft een gespierde wand.'
Anne zegt: 'Het is een ader, want er ontbreken kleppen.'
Wie heeft of wie hebben gelijk?
a)
Jet
b)
Anne
c)
Jet en Anne
d)
Geen van beide
19.
De hartkleppen gaan open en de slagaderkleppen gaan dicht, tijdens
a)
Het samentrekken van de boezems
b)
Het samentrekken van de kamers
c)
De hartpauze
20.
Via de armslagaders komt er bloed in je armen en handen. Bij welke bloedsomloop horen de armslagaders?
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
21.
In de haarvaten van de longen wordt zuurstof opgenomen in het bloed. Bij welke bloedsomloop horen de haarvaten van de longen?
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
22.
Hoe heet bloedvat 2?
a)
Longader
b)
Longslagader
c)
Bovenste holle ader
d)
Aorta
23.
Hoe heet bloedvat 6?
a)
Darmslagader
b)
Poortader
c)
Darmader
24.
Wat is lymfe?
a)
Lymfe is hetzelfde als weefselvloeistof
b)
Vloeistof die uit de lymfevaten de weefsels in gaat
c)
Weefselvloeistof met rode bloedcellen
d)
Weefselvloeistof die in de lymfevaten is gestroomd
25.
Juist of onjuist?
Lymfeknopen zwellen op bij het bestrijden van ziekteverwekkers
Lymfeknopen zwellen op bij het bestrijden van ziekteverwekkers
a)
Juist
b)
Onjuist
26.
Juist of onjuist?
Lymfe komt voor tussen de cellen en in de lymfevaten
Lymfe komt voor tussen de cellen en in de lymfevaten
a)
Juist
b)
Onjuist
27.
Juist of onjuist?
De bouw van lymfevaten lijken meer op die van aders dan op die van slagaders
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
Het bloed in bloedvat C heeft
a)
een hoge bloeddruk
b)
een lage bloeddruk
29.
De bloedvaten met een rode kleur bevatten bloed met
a)
veel zuurstof
b)
veel koolstofdioxide
c)
veel hormonen
d)
veel warmte
30.
Bloedvat B brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
31.
Bloedvat A is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
32.
Bloedvat C heeft
a)
geen kleppen in de wanden
b)
wel kleppen in de wanden
33.
Dit wand van dit bloedvat is het dunst van de drie soorten
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
34.
Bij de grote punt naar boven in de figuur van een hartslag.
a)
trekken de kamers samen
b)
trekken de boezems samen
c)
is er een hartpauze
35.
Bij de kleine punt naar boven in de figuur van een hartslag.
a)
trekken de kamers samen
b)
trekken de boezems samen
c)
is er een hartpauze
36.
Als dit zichtbaar is op een hartfilmpje, dan heeft de patiënt
a)
een hartinfarct
b)
spataderen
c)
een hartritmestoornis
37.
Welke figuren geven de oorzaak van spataderen aan?
a)
de bovenste rij
b)
de onderste rij
c)
geen van beide rijen
Reset
