wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bloed & Bloedsomloop

Total questions: 55

Worksheet time: 1hrs 11mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat het bloedvatenstelsel van de mens?

a)

hart

b)

hersenen

c)

bloedvaten

d)

zenuwen

2.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd?

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

3.

De dubbele bloedsomloop gaat bij een omloop 2 keer door ......

a)

de longen

b)

het hart

c)

de organen

d)

de hersenen

4.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

5.

Waar gaat de grote bloedsomloop naar toe?

a)

alle organen van het lichaam

b)

de longen

c)

de hersenen

6.

Wat haalt de kleine bloedsomloop op?

a)

Koolstofdioxide ( CO2)

b)

zuurstof

c)

hemoglobine

d)

stikstof

7.

Wat brengt de grote bloedsomloop naar alle cellen in het lichaam?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide (CO2)

c)

voedingstoffen

d)

afvalstoffen

8.

Waar komt het bloed het hart binnen?

a)

in de boezems

b)

in de kamers

9.

Welke helft van het hart bevat bloed met veel zuurstof?

a)

rechterhelft

b)

linkerhelft

10.

Hoe groot is ons hart?

a)

als een voet

b)

als een bloemkool

c)

als een vuist

11.

Hoe heet de grote lichaamsslagader?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

12.

Is de longslagader zuurstofrijk of zuurstofarm?

a)

zuurstofrijk

b)

zuurstofarm

13.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

14.

Wat is de functie van hartkleppen?

a)

zorgen ervoor dat het bloed sneller stroomt

b)

zorgen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen

c)

zorgt ervoor dat het bloed niet kan klonteren

15.

Waar zitten de halvemaansvormige kleppen?

a)

tussen boezem en kamer

b)

aan het begin van de aorta

c)

aan het begin van de longslagader

d)

aan het begin van de longader

16.

Hoe noemen we deze kleppen?

a)

hartkleppen

b)

halvemaanvormige kleppen

17.

Hoe noemen we deel 2?

a)

longslagader

b)

longader

c)

aorta

d)

holle ader

18.

Hoe noemen we nummer 13?

a)

rechterboezem

b)

linkerboezem

c)

rechterkamer

d)

linkerkamer

19.

Hoe noemen we nummer 1?

a)

longslagader

b)

aorta

c)

holle ader

d)

longader

20.

Met welk nummer is een slagader aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

21.

Wat is dit voor een bloedvat?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

22.

Waar worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven aan het bloed?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

23.

Welke slagader bevat weinig zuurstof?

a)

aorta

b)

longslagader

24.

In welk bloedvat is de bloeddruk hoog?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

25.

Welke wand is het dunst?

a)

slagader

b)

ader

c)

haarvat

26.

Welke bloedvaten gaan van het hart af?

a)

slagaders

b)

aders

c)

haarvaten

27.

Welke bloedvaten lopen naar het hart toe?

a)

slagaders

b)

aders

c)

bloedvaten

28.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
29.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
30.
De draden waar bij een wondje een korstje van komt worden gemaakt door
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
31.
De cel die midden in deze afbeelding ligt, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
32.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
33.
Wat is de functie van bloedplaatjes
a)
bloedgroepen bepalen
b)
afweer
c)
Bloedstolling
d)
Zuurstof en CO2 vervoeren en opnemen
34.
waar bestaat bloed uit?
a)
bloedplasma, bloedcellen en bloedplaatjes
b)
bloedplasma, lymfevloeistof, witte bloedcellen
c)
bloedplasma, bloedcellen, mineralen
d)
zuurstof, koolstofdioxide, bloedplasma
35.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
36.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
37.
Bij welke  aandoening heb je een bloedstolsel binnen een bloedvat, zoals bijvoorbeeld in je been?
a)
Hartinfarct
b)
Trombose
c)
Bloedarmoede
d)
aderverkalking
38.
Witte bloedcellen hebben een celkern en kunnen van vorm veranderen
a)
Juist
b)
Onjuist
39.
Wat is etter of pus?
a)
Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes
b)
Dode rode- en witte bloedcellen
c)
Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes
d)
Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën
40.
Wat heeft een celkern?
a)
Rode bloedcel
b)
Witte bloedcel
c)
Bloedplaatje
41.
Wat is JUIST als het om slagaders gaat?
a)
Er stroomt altijd zuurstofrijk bloed door.
b)
Bloed stroomt altijd van het hart af.
c)
Bloed is altijd helderrood dat hier doorheen stroomt.
d)
Je hebt er maar 4 van in je lichaam.
42.
Bij welk type bloedvaten kunnen witte bloedcellen door de wand heen?
a)
Slagaders
b)
Aders
c)
Haarvaten
d)
Poortader
43.
De cellen in deze afbeelding zijn voor 
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
44.

de opbouw van een niet van binnen naar buiten:

a)

nierschors - niermerg - nierpapil - nierbekken

b)

nierschors - nierbekken - niermerg - nierpapil

c)

nierbekken - nierpapil - niermerg - nierschors

d)

nierbekken - niermerg - nierpapil - nierschors

45.
Hoe heet nummer 1?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
46.
Hoe heet nummer 2?
a)
nierbekken
b)
nierschors
c)
niermerg
d)
uirineleider
47.

De nieren horen bij het ....... stelsel

a)

verteringsstelsel

b)

verbrandingsstelsel

c)

urinestelsel

d)

uitscheidingsstelsel

48.

Wat is uitscheiding?

a)

een verschil maken

b)

afvalstoffen worden uit het bloed gehaald en uit het lichaam verwijdert

c)

water wordt uit het bloed gehaald

d)

afvalstoffen worden uit het water gehaald en uit het lichaam verwijdert

49.

Waar bestaat urine uit?

a)

water, schadelijke stoffen

b)

Schadelijke stoffen en overtollige zouten

c)

overtollige zouten, schadelijke stoffen en water

d)

Suikers, eiwitten, water en schadelijke stoffen

e)

Overtollige zouten en water

50.

Wat zijn de zuiveringsinstallaties van je lichaam?

a)

lever en maag

b)

lever en nieren

c)

maag en nieren

d)

lever, maag en nieren

51.

Voert de urinebuis urine van de nieren naar de urineblaas?

a)

ja

b)

nee

52.

Wat is de functie van de nierbekken?

a)

filteren van het bloed

b)

filteren van urine

c)

verzamelen van urine

d)

Verzamelen van 'schoon' bloed

53.

Een ander woord voor immuunsysteem is (a)  

54.

Welke bloedcellen kunnen antistoffen maken?

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

ze kunnen dat allemaal

55.

Welke delen van ons lichaam houden ziekteverwekkers tegen?

a)

huid

b)

slijmvlies in luchtwegen

c)

ogen

d)

zoutzuur in darmsap

e)

haartjes