Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Module 2 - 2.1 t/m 2.3

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Een dier kan bestaan uit één cel of veel cellen bestaan

a)

waar

b)

niet waar

2.

Een dierlijke cel heeft een vacuole

a)

waar

b)

niet waar

3.

De vorm en bouw van een cel hangen samen met de functie

a)

waar

b)

niet waar

4.

Weefsel is..

a)

cellen met dezelfde vorm en functie

b)

weefsels met dezelfde vorm en functie

c)

cellen met dezelfde smaak en functie

5.

Voorbeelden van organen zijn:

a)

long, tong, nier, hart

b)

long, vin, nier, hart

c)

long, kieuw, nier, hart

d)

long, kieuw, mier, hart

6.

Een zenuwcel die impulsen kan doorgeven is langgerekt

a)

waar

b)

niet waar

7.

weefsel dat de darm bedekt wordt ook wel dekweefsel genoemd

a)

waar

b)

niet waar

8.

orgaanstelsel is...

a)

verschillende organen bij elkaar, die samen één of meer functies hebben

b)

verschillende organen bij elkaar, die samen één functie hebben

c)

verschillende organen bij elkaar, die samen meer functies hebben

9.

Dieren die plantaardig voedsel eten heten

a)

Herbivoren

b)

Carnivoren

c)

Omnivoren

10.

Definitie van een vleeseter is:

a)

zijn dieren die plantaardig voedsel eten, bijv. leeuw, kat, tijger

b)

zijn dieren die zichzelf opeten, bijv. leeuw, kat, tijger

c)

zijn dieren die dierlijk voedsel eten, bijv. leeuw, kat, tijger

11.

De darmlengte van een vleeseter is erg lang

a)

waar

b)

niet waar

12.

De koe is een planteneter met een lang darmkanaal en een dikke buik

a)

waar

b)

niet waar

13.

Planteneters hebben

a)

plooikiezen

b)

knipkiezen

c)

knobbelkiezen

14.

Vleeseters hebben

a)

plooikiezen

b)

knipkiezen

c)

knobbelkiezen

15.

Alleseters hebben..

a)

plooikiezen

b)

knipkiezen

c)

knobbelkiezen

16.

Een zwemblaas in een vis is om de zwemhoogte te regelen

a)

waar

b)

niet waar

17.

Om te sluipen lopen katachtigen op hun......... daarom heten ze..

a)

tenen en teengangers

b)

zolen en zoolgangers

c)

hoeven en hoefgangers

18.

Zoolganger is

a)

dieren die maar een klein deel van hun zool gebruiken

b)

dieren die op hun hele zool lopen

c)

bestaat helemaal niet

19.

Hoefgangers en zoolgangers kunnen over het algemeen heel hard lopen

a)

waar

b)

niet waar

20.

Dierlijk/plantaardig voedsel is moeilijker verteerbaar

a)

dierlijk

b)

plantaardig

21.

Een vleeseter// planteneter heeft in verhouding een langere darm

a)

vleeseter

b)

planteneter

22.

ééncellige diertjes zijn..

a)

diertjes die bestaan uit één cel

b)

langgerekt dier zonder poten

c)

dier met een uitwendig pantser

23.

Gewervelde dieren omvat vijf klassen:

a)

vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren

b)

reptielen, vissen, vogels, zoogdieren en vissen

c)

vogels, vissen, reptielen, zoogdieren en vogels

d)

zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en vossen

24.

De meest voorkomende soort in het dierenrijk zijn de:

a)

gewervelden

b)

weekdieren

c)

wormen

d)

geleedpotigen

25.

Amfibieën hebben eerst kieuwen en daarna longen

a)

waar

b)

niet waar

26.

waterdier met schubben en kieuwen

a)

reptiel

b)

vis

c)

vogel

27.

dier dat eieren met een kalkschaal legt

a)

vogels

b)

reptielen

c)

zoogdieren

28.

baart levende jongen..

a)

reptielen

b)

zoogdieren

c)

vogels