wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 organen en cellen 1 basis

Total questions: 41

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.
Zie afbeelding. Met welk nummer is de celkern aangegeven?
a)
Met nummer 1
b)
Met nummer 2
c)
Met nummer 3
2.

Is een orgaan een deel van een organisme?

a)

ja

b)

nee

3.

is een kat een orgaan?

a)

ja

b)

nee

4.

Kun je cellen alleen met een microscoop zien?

a)

ja

b)

nee

5.
Nummer 9 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
6.
Nummer 7 is de
a)
lever
b)
maag
c)
alvleesklier
d)
galblaas
7.

Een deel van een organisme met een bepaalde taak noemen we een ……...

a)

weefsel

b)

donatie

c)

orgaan

d)

groepje cellen

8.

Wat hoort niet bij het verteringsstelsel

a)

lever

b)

maag

c)

dikke darm

d)

hart

9.

Met het diafragma regel je

a)

de hoeveelheid licht

b)

de vergroting

c)

de scherpte

d)

de hoogte van de tafel

10.

Hoe ruim je de microscoop op?

a)

tafel omhoog, grootste vergroting voor

b)

tafel omhoog, kleinste vergroting voor

c)

tafel naar beneden, kleinste vergroting voor

d)

tafel naar beneden, grootste vergroting voor

11.

Wat is geen onderdeel van de microscoop

a)

revolver

b)

tubulair

c)

tafel

d)

diafragma

12.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Oculair
c)
Diafragma
d)
Statief
13.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Tubus
c)
Diafragma
d)
Voet
14.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
tubus
b)
Lamp
c)
Preparaatklem
d)
Statief
15.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
tafel
c)
Grove stelsknop
d)
revolver
16.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Fijne stelknop
b)
lichtknopje
c)
Grove stelsknop
d)
revolver
17.

Hoe heet het onderdeel op de plek van het vraagteken

a)

Fijne stelknop

b)

lichtknopje

c)

Grove stelsknop

d)

Diafragma

18.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Lamp
c)
Oculair
d)
Tubus
19.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Objectief
c)
Oculair
d)
Tafel
20.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Occulair
b)
Lamp
c)
Diafragma
d)
Revolver
21.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Tubus
b)
Voet
c)
Diafragma
d)
Revolver
22.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Object
b)
Oculair
c)
Diafragma
d)
Statief
23.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Revolver
b)
Lamp
c)
Oculair
d)
Tubus
24.
Wat is de functie van de revolver
a)
hiermee klem je het preparaat vast
b)
hiermee kun je naar een geschikt objectief draaien
c)
hieraan pak je de microscoop vast
25.

hersenen, hart, longen, ogen zijn voorbeelden van

a)

orgaanstelsels

b)

organen

c)

weefsels

d)

cellen

26.

Organen die samenwerken, vormen een....

a)

samenwerkingsverband

b)

orgaanstelsel

c)

Weefsel

d)

Lichaam

27.

De kleinste bouwstenen van een organisme zijn.......

a)

cellen

b)

weefsels

c)

organen

d)

orgaanstelsels

28.

Een oculair met 10x vergroting samen met een objectief van 40x vergroting, zorgt ervoor dat het plaatje ………. groter is

a)

40x

b)

50x

c)

100x

d)

400x

29.
Hoe heet het onderdeel  op de plek van het vraagteken
a)
Occulair
b)
Lamp
c)
Diafragma
d)
Revolver
30.
Deze cellen hebben een celmembraan.
a)
Dieriljke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Beide de soorten cellen
d)
Allebei niet
31.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Allebei de soorten cellen

d)

Allebei niet

32.
Deze cellen hebben een grote centrale vacuole.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten cellen 
d)
Allebei niet
33.
Wat is het plaatje?
a)
Cel
b)
Weefsel
c)
Orgaan
d)
Orgaanstelsel
34.
Wat is het plaatje?
a)
Cel
b)
Weefsel
c)
Orgaan
d)
Orgaanstelsel
35.
Wat is het plaatje?
a)
Cel
b)
Weefsel
c)
Orgaan
d)
Orgaanstelsel
36.
Wat is onderdeel A van een dierlijke cel?
a)
Celmembraan
b)
Celkern
c)
Cytoplasma
d)
Celwand
37.
Wat is onderdeel B van een dierlijke cel?
a)
Celmembraan
b)
Celkern
c)
Cytoplasma
d)
Celwand
38.
Wat is onderdeel C van een dierlijke cel?
a)
Celmembraan
b)
Celkern
c)
Cytoplasma
d)
Celwand
39.
Zie afbeelding. Welk onderdeel van de (dierlijke) cel is aangegeven met nummer 1?
a)
Celwand
b)
Cytoplasma
c)
Celmembraan
d)
Celkern
40.
Zie afbeelding. Welk deel van deze dierlijke cel wordt aangegeven met het cijfer 3?
a)
Celkern
b)
Celwand
c)
Cytoplasma
d)
Celmembraan
41.
Welke onderdeel komt niet voor in een dierlijke cel?
a)
celkern
b)
celwand
c)
cytoplasma