WorksheetsZij, hen of hun
Total questions: 20
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
… hebben die boeken niet bij zich.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
2.
Dat hebben … nooit in zo'n korte tijd kunnen doen.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
3.
Mevrouw Jonkers wil … niet helpen bij die moeilijke opgave.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
4.
Moet je dat niet even aan … vragen?
a)
zij
b)
hen
c)
hun
5.
… willen mij morgen betalen voor dat werk.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
6.
Denk je dat … die film al gezien hebben?
a)
zij
b)
hen
c)
hun
7.
De bakker gaf … een extra broodje mee.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
8.
… hebben een nieuw huis voor al die zwerfkatten gevonden.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
9.
Ik wil mijn auto niet aan … uitlenen.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
10.
De vakantiegangers hebben overhaast … spullen gepakt.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
11.
Aan de Conincksweg hebben … nooit gewoond.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
12.
Niemand heeft ... het goede nieuws verteld.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
13.
Kunnen … de rekening niet betalen?
a)
zij
b)
hen
c)
hun
14.
Aan … vertel ik helemaal niets.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
15.
In die huizen aan de Potgieterstraat kunnen … hun rommel nooit kwijt.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
16.
… vinden een 5,5 echt geen goed cijfer voor Nederlands!
a)
zij
b)
hen
c)
hun
17.
… zien wel wat ze morgen gaan doen.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
18.
Bij dat grote warenhuis kun je vast wel iets leuks voor … kopen.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
19.
Tuinieren vinden … een vermoeiende bezigheid.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
20.
Je moet … geen gelegenheid geven om je te belazeren.
a)
zij
b)
hen
c)
hun
100 %
